Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

Artikel 11.

ving van den rechtstoestand van bedoelde ondernemingen vindt men in het Rapport van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen „De begrafenisfondsen in Nederland" i) (blz. 58—82). Hier zij volstaan met het volgende. Het Wetboek van Koophandel behelsde een 2-tal artikelen over deze materie. Art. 286 bepaalde, dat wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen door hare overeenkomsten en reglementen worden geregeerd, en bij onvolledigheid naar de beginselen van het regt, art. 308 (deel uitmakende van de afdeeling „Van Levensverzekering"), dat onder deze afdeeling niet zijn begrepen weduwenfondsen, tontines, maatschappijen van onderlinge levensverzekering en andere dergelijke overeenkomsten op levens- en sterfte-kansen gegrond, waartoe eene inlage of eene bepaalde bijdrage, of beide, gevorderd wordt. Daarenboven bepaald art. 14 van de wet van 22 April 1855, Stbl. no. 32, (ingelascht bij de wet van 14 September 1866, Stbl. no. 123): „De „bepalingen der voorafgaande artikelen zijn niet van toepassing op „de burgerlijke maatschap of vennootschap, noch op vennootschappen van koophandel, wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen en scheepsreederijen. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Koophandel blijven op „deze onderwerpen van toepassing". De inlassching van het laatste artikel was een gevolg van het arrest van den Hoogen Raad van 20 October 1865, W. v. h. R. no. 2736, waarbij was beslist, dat onderlinge verzekerings- of waarborgmaatschappijen waren zedelijke lichamen in den zin van het Burgerlijk Wetboek, artt. 1690—1702. Eene juiste begripsomschrijving van wat onder bedoelde onderlinge maatschappijen was te verstaan, was daarmede evenwel niet gegeven. Dit geschiedde ook niet bij het bekende arrest van den Hoogen Raad van 25 Maart 1898, W. v. h. R. no. 7102, waarbij werd beslist, dat de Rechtbank uit den inhoud harer reglementaire bepalingen terecht het besluit had getrokken, dat de eischende vereeniging was eene wederkeerige verzekeringmaatschappij, als bedoeld in de artt. 286 en 308 W. v. K., welke ingevolge art. 14 der wet van 22 April 1855, Stbl. no. 32, ontheven was van de Koninklijke erkenning als voorwaarde om als rechtspersoon te kunnen optreden, en dat de Rechtbank met juistheid had beslist, dat deze, als geoorloofd toegelaten en tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of de goede zeden, samengestelde vereeniging van personen, te zamen vormende een lichaam, is eene vereeniging, welke de wet in art. 1690 B. W. als een zedelijk lichaam erkent en die, ingevolge de art. 1691 en 1692, als zoodanig in rechten kan optreden.

De M. v. T. op art. 5 der wet hield hieromtrent het volgende in: „De onderlinge maatschappij is een vereenigingsvorm, welke in ons

l) In 1891 uitgebracht door eene commissie, bestaande uit prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, prof. dr. Q. L. Legebeke en Ir. J. L. Huysinga.

Sluiten