Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64

Artikel 11.

„recht om zoo te zeggen niet geregeld is. In het onderhavige ont„werp kan echter geene algemeene regeling van deze rechtsfiguur „worden opgenomen, omdat zij als onderlinge brandwaarborgmaatschappij ook buiten het levensverzekeringbedrijf voorkomt. „In tegenstelling tot hetgeen de artikelen 8 en volgende van het „ontwerp der Staatscommissie-Molengraaff doen, is hier dus slechts „vastgelegd, wat voor de toepassing dezer wet als eene onderlinge maatschappij wordt aangemerkt, en aan welke eischen de „inrichting van zoodanige maatschappij moet voldoen, wil zij het „levensverzekeringbedrijf uitoefenen. De regeling van het ontwerp „der Staatscommissie-Molengraaff is daarbij wel gevolgd, maar niet „zonder meer aangenomen.

„Gelijk bekend, bestaat over het rechtskarakter der onderlinge „maatschappij verschil van meening. De Staatscommissie-Molengraaff achtte het daarom noodzakelijk te bepalen, dat de onderlinge „maatschappij, na de inschrijving en openbaarmaking der akte van „oprichting als rechtspersoon 'zal optreden. Overeenkomstig het „beginsel, dat geene regeling van de onderlinge maatschappij in dit „ontwerp thuis hoort, is eene dergelijke bepaling niet opgenomen. „Noodzakelijk is zij niet, aangezien voor onderlinge maatschappijen „welke zijn ingericht overeenkomstig de bepalingen van de artikelen „6 en volgende van het wetsontwerp, vaststaat, dat zij als rechtspersonen zijn te beschouwen.

„De gegeven omschrijving der onderlinge maatschappij wijkt in „één opzicht belangrijk af van de definitie, welke men vindt in artikel „4 van het ontwerp der Staatscommissie-Molengraaff. Dit toch stelt „den eisch, dat de leden degenen zijn, met wie de overeenkomsten „van verzekering, die van herverzekering daaronder niet begrepen, „door de vereeniging worden gesloten. Het schijnt niet raadzaam, „dezen eisch over te nemen. Het bezwaar, dat zonder deze bepaling „in den vorm eener onderlinge maatschappij ondernemingen zullen „worden opgericht, die inderdaad niet op onderlingen grondslag zijn „gevestigd, is niet overwegend, nu aan de onderlinge maatschappijen, „die ook met niet-leden overeenkomsten van verzekering sluiten, „gelijke eischen worden gesteld als aan naamlooze vennootschappen. „In de praktijk zou de bepaling echter noodeloos tot moeilijkheden „leiden, en overigens ter waarborging van de belangen der verzekerden niet van groote beteekenis zijn."

In het V. werd nog de vraag gedaan, of het wel vaststond, dat de bestaande onderlinge begrafenisfondsen en andere onderlinge verzekeringmaatschappijen alle als rechtspersonen waren te beschouwen en zoo niet, of dan niet uitdrukkelijk in art. 78 behoorde te worden bepaald, dat zoodanige vereenigingen, ook indien zij geen rechtspersonen waren op den voet van dat artikel, na de inwerkingtreding der wet met de uit-

Sluiten