Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

Artikel 11.

voorschriften van de artt. 12, 13 en 14 der wet. Als aan deze vereischten niet voldaan is, zal de Verzekeringskamer de verklaring van art. 18 niet kunnen afgeven.

Mag eene nieuw op te richten onderlinge maatschappij, welke ten doel heeft uitoefening van het l.v.bedrijf, geen ander doel daarnevens hebben? Uit art. 9, lid 2, volgt reeds, dat zij geen ander bedrijf dan het l.v. bedrijf mag uitoefenen; of een ander bedrijf aanwezig is, wordt zoonoodig door de Verzekeringskamer, en in hooger beroep door de Regeering beslist. Maar uit de omschrijving van art. 10 volgt niet, dat zij geen enkel ander doel mag hebben. Zoo lijkt het mij geoorloofd, dat zij zich bv. ook ten doel stelt bevordering van eenige gezelligheid of bespreking of bevordering van vakbelangen of plaatselijke belangen. De geest van de wet brengt echter mee, dat daardoor geen geldelijk risico van eenig belang mag worden geloopen en zooals gezegd, van uitoefening van eenig ander bedrijf mag in het geheel geen sprake zijn.

Men lette er op, dat de vereischten van de artt. 11—13 aanwezig moeten zijn ook voor eene tijdens de inwerkingtreding der wet bestaande onderlinge maatschappij, wil zij ook na afloop van 2 jaren na die inwerkingtreding doorgaan kunnen met het sluiten van overeenkomsten van levensverzekering. Dit volgt uit de 2de zinsnede van lid 1 van art. 78. Zonder te voldoen aan de overige eischen, bedoeld bij art. 9, 2de lid, en 11 tot en met 16, en zonder in het bezit te zijn van eene verklaring, als bedoeld bij art. 18, mogen zij (bestaande naaml. vennootschappen en onderlinge maatschappijen) gedurende 2 jaren na het inwerkingtreden der wet met de uitoefening van haar bedrijf voortgaan en ook na afloop van dien termijn hare loopenoe overeenkomsten afwikkelen. Deze uitzondering mag niet buiten hare grenzen worden uitgebreid. Indien bedoelde vennootschappen en maatschappijen dus na afloop van 2 jaren meer willen doen dan het even genoemde en dus ook nieuwe overeenkomsten willen afsluiten, behooren zij wel te voldoen aan de in de artt. 9, 2de lid, en 11 tot en met 14, 2de en 3de lid, gestelde eischen (dat zij ook zelfs na afloop van die 2 jaren en indien zij ook nieuwe overeenkomsten willen afsluiten, niet behoeven te voldoen aan de in artt. 15 en 16 gestelde kapitaalseischen, volgt uit het voorschrift van de,1ste zinsnede van het 1ste lid van art. 78 (dat de artt. 15 en 16 ook nog genoemd worden in de 2de zinsnede van lid 1 van art. 78, is een gevolg daarvan, dat in het O.O. de 1ste zinsnede van lid 1 van art. 78 niet voorkwam; na de opname van die 1ste zinsnede verloor de aanhaling van de artt. 15 en 16 in de 2de zinsnede hare beteekenis).

De wensch om ook voor bestaande onderlinge maatschappijen eene behoorlijke organisatie wat betreft bepaalde met name genoemde punten voor te schrijven, was reeds tot uitdrukking gé-

Sluiten