Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

Artikel 11.

komen in het bovengenoemde Nutsrapport „De begrafenisfondsen m Nederland" (blz. 146—156). Het wetsontwerp der Staatscommissie-Molengraaff schreef zelfs voor, dat bij gebreke van invoering van die organisatie binnen één jaar de arrondissements-rechtbank de vereffening der maatschappij zou gelasten, met benoeming van een of meer vereffenaars (artt. 86 en 87). Het ontwerp van wet der Vereeniging voor levensverzekering van 1910 droeg bij gebreke van invoering der betere organisatie bij eene onderlinge maatschappij aan de Verzekeringskamer in het bijzonder de bescherming en behartiging der belangen der verzekerden op, totdat de toestand geregeld zou zijn (art. 34).

Kan niet getwijfeld worden aan de rechtspersoonlijkheid van eene onderlinge maatschappij, die na de inwerkingtreding der wet wordt opgericht met inachtneming der artt. 11, 12, 13 en 14, die rechtspersoonlijkheid moet natuurlijk ook aangenomen worden voor bestaande onderlinge maatschappijen, die voldoen aan het voorschrift ™nW» i 'iL kÜM-/- ™- bestaande vereenigingen van personen, welke ten doel hebben de uitoefening van het levensverzekeringbedrijf en waarbij zonder het sluiten van eene overeenkomst van levensverzekering toetreding tot het lidmaatschap is uitgesloten, zijn onderlinge maatschappijen en rechtspersonen. Zij worden, evenals de nieuw op te richten, beheerscht door den lOden Titel „Van zedelijke llC™ ?™h* 3Lde b°ek van het Burgerlijk Wetboek (artt. 1690 —1702) Voldoen bestaande onderlinge maatschappijen niet aan de omschrijving van art. 11, lid 1, doordat het lidmaatschap niet impliceert het gesloten hebben van eene levensverzekering-overeenkomst met de maatschappij (als bv. wel alle leden tegen ziekte verzekerd zijn, maar slechts een gedeelte der leden recht heeft op eene overlijdensuitkeering), dan zijn zij niet als eene onderlinge maatschappij volgens deze wet te beschouwen. Zij zijn dan echter wel wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen in den zin

<nn" Tc ,4J6r W,6t Van 22 ApriI «55, Stbl. no. 32, en rechïpe sonen krachtens de artt. 1690—1702 B. W

Bij de uitvoering der wet is aan de Verzekeringskamer gebleken dat het overgroote aantal der plaatselijke begrafenisfondsen, waarnnlT6 g+edure"de een eeuw en langer bestaan hadden, als onderlinge maatschappijen zijn te beschouwen. Dat karakter moest ook veelal toegekend worden aan fondsen tot uitkeering bij overlijden of tot verstrekking van weduwenpensioenen, behoorende bij vonk''eadtenb0nden O* -vereenigingen. Daarentegen kwam het ook voor, dat zgn. maatschappijen van levensverzekering met directiën en leden m werkelijkheid niet waren onderlinge maatschappi én"

echter nniet?rnorgen VM "atuurI,ïke P™°™ Hun aantal was eenter niet groot, ongeveer 5.

Enkele beurzen of bossen, meestal uit de 18de of 17de eeuw

Sluiten