Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

noemd, is wel zeker, dat de wet voorschrijft, dat een nieuw op te richten onderlinge maatschappij commissarissen heeft. Daar dit artikel ook van toepassing is op bestaande onderlinge maatschappijen, die wenschen door te werken, zullen die maatschappijen, welke geene commissarissen kennen, dus tot instelling daarvan moeten overgaan.

Hoewel als regel bestuurders en commissarissen wel uit de leden gekozen zullen worden, laat de wet vrijheid om niet-leden als zoodanig te benoemen.

Ook schrijft de wet niet voor door wie benoeming, schorsing en ontslag moet geschieden. Men zal dus de benoeming van bestuurders kunnen opdragen aan de algemeene vergadering of. aan commissarissen. Benoeming voor het leven schijnt niet te zijn uitgesloten. Ook zal men kunnen voorschrijven, dat de algemeene vergadering bij de benoeming'gebonden is aan eene voordracht van het bestuur of van commissarissen, waarbuiten men dan dus niet zal kunnen gaan.

5°. Dit punt raakt het wezen van de onderlinge maatschappij. Voor nieuw op te richten onderlinge maatschappijen is een waarborgkapitaal van één millioen gulden voorgeschreven (het krachtens lid 2 van art. 15 tot stand gekomen. K. B. van 5 November 1923, Stbl. no. 507, laat toe, dat in bepaalde gevallen dit waarborgkapitaal slechts ƒ 250.000 of nog minder bedraagt.). De mogelijkheid blijft natuurlijk bestaan, dat de verliezen, die geleden worden zoo groot zijn, dat het kapitaal geheel of gedeeltelijk verloren is. Er zou dan reden kunnen zijn voor toepassing van de in Hoofdstuk IV genoemde noodregeling, waarbij aan de rechtbank de bevoegdheid is gegeven om op voordracht van de Verzekeringskamer eene bepaalde Sanierung toe te passen. Daar bij eene onderlinge maatschappij de verzekerden evenwel in tegenstelling tot de naamlooze vennootschap de gezamenlijke eigenaars van de zaak zijn en zelve het heft in handen hebben, kan men hier, indien de berekening van de wiskundige reserve een tekort aanwijst, eene bedoelde Sanierung ook in eigen boezem tot stand brengen. Bij eene naamlooze vennootschap, waar de eigenaars der zaak, de aandeelhouders, anderen zijn dan de verzekerden, is eene wijziging der overeenkomsten door de vennootschap zelve uit den aard der zaak uitgesloten. Dat men in reglementen van l.v. ondernemingen, die toebehooren aan een natuurlijken persoon, hoewel zij den uiterlijken vorm hebben aangenomen van eene maatschappij met directeuren en leden, wel bepalingen aantreft, volgens welke directeuren in bijzondere gevallen de premiën kunnen verhoogen of de uitkeeringen verlagen, is waarschijnlijk het gevolg van het klakkeloos overschrijven van statuten van onderlinge maatschappijen. In de meeste statuten van werkelijk onderlinge maatschapppijen heeft eene dergelijke bepaling immers plaats gevonden. Indien de statuten zulk eene bepaling niet inhielden, deed zich de

Sluiten