Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

Artikel 13.

8°. Behalve over de wijze van bijeenroeping van eene alg. vergadering en de gevallen, waarin zulk eene vergadering moet worden belegd, spreekt de wet hier slechts over de regeling van de rechten der alg. vergadering van leden. Over de samenstelling laat de wet zich uitdrukkelijk niet uit. Mag de alg. vergadering van leden nu ook bestaan uit een bepaald soort leden bv. uit hen, die voor minstens een bepaald bedrag of voor minstens een bepaalden duur verzekerd zijn, zooals bv. volgens de Duitsche wet van 1901 en het Fransche decreet van 1906 geoorloofd is? M.i. niet. Onder alg. vergadering van leden is slechts te verstaan de alg. verg. van alle leden. Iets anders is natuurlijk, dat een lid zich ter vergadering door een ander, bv. een ander lid, laat vertegenwoordigen. Daarbij zou men dan nog kunnen bepalen, dat één persoon slechts hoogstens bv. 10 leden kan vertegenwoordigen. Kan de alg. vergadering bestaan uit afgevaardigden van leden in dien zin, dat de alg. vergadering is te beschouwen als een parlement van de leden? Bij de groote Engelsche maatschappijen komt deze instelling, die bij maatschappijen met een zeer groot aantal leden zeer practisch lijkt, dikwijls voor. De Duitsche wet van 1901 laat ook uitdrukkelijk toe, dat het Oberste Organ der onderlinge maatschappij bestaat uit „Vertreter der Mitglieder". M.i. is zulk een vertegenwoordigend lichaam met de wet niet onvereenigbaar. Ongetwijfeld heeft de wet de hoogste macht bij onderlinge maatschappijen in handen willen leggen van de leden. Maar dit doel bereikt men ook volkomen bij de instelling van een vertegenwoordigend lichaam. Bovendien kan men nog aan een bepaald getal leden het recht toekennen om ter beraadslaging en beslissing over bepaalde punten eene vergadering van het vertegenwoordigend lichaam uit te schrijven en zelfs nog in bepaalde gevallen het houden van een referendum onder de leden toelaten. Over de uitoefening van het stemrecht laat de wet zich niet uit. Het meest voor de hand ligt, dat ieder lid één stem heeft onverschillig of hij één of meer verzekeringen heeft en hoe groot en van welken aard zijne verzekering is. Bij de instelling van een vertegenwoordigend lichaam is zelfs niet anders denkbaar dan dat ieder lid der vergadering één stem uitbrengt. Bij eene algemeene vergadering van de leden zelve is het echter mogelijk, dat één lid één of meerdere stemmen mag uitbrengen naar gelang hij kleinere of grootere belangen bij de maatschappij heeft. De genoemde Duitsche wet laat daartoe de vrijheid. Ook de Zwitsersche wet schijnt zulks toe te laten. Immers bepaalt § 11 van een der grootste onderlinge maatschappijen de „Schweizerische Lebensversicherungs- und Rentenanstalt" te Zürich: „Jedes Mitglied hat eine Stimme. Eine Ver„sicherung gewahrt nur eine Stimme". Verder laat onze wet vrijheid om te bepalen, dat voor bepaalde besluiten de gewone absolute meerderheid of eene versterkte noodig is, ook om voor bepaalde

Sluiten