Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

Artikel 15.

onderzoek naar de solvabiliteit der aandeelhouders reeds nu wordt 'ingesteld bij de behandeling der aanvraag om Koninklijke bewilliging. Op art. 15 werd door den heer Deckers een amendement ingediend om als derde lid het volgende toe te voegen: „Bij de oprichting van eene onderneming tot uitoefening van het levensverzekeringbedrijf mag van de niet volgestorte aandeelen in maatschappelijk kapitaal of waarborgkapitaal niet meer dan een dertigste „deel gesteld zijn ten name van één en denzelfden persoon". Het amendement werd, na bestrijding door de Regeering en de Commissie van Rapporteurs, met 50 tegen 28 stemmen verworpen. Niettemin is de grondgedachte van het amendement, dat het éénmaal door de wet geëischte kapitaal van één millioen gulden reëel moet zijn en bij niet dadelijke volstorting der aandeelen er zooveel op dient te worden gelet, dat die aandeelen worden genomen door personen, die behoorlijke waarborgen voor eene latere volstorting opleveren, natuurlijk volkomen juist. Het zal aan de Regeering zijn om, voorgelicht ook door de Verzekeringskamer, bij het verleenen der Koninklijke bewilliging aan die waarborgen de noodige aandacht te schenken. Na de oprichting der maatschappij is het altijd mogelijk, dat niet-volgestorte aandeelen in handen komen van personen, die niet de noodige waarborgen opleveren. Het voortdurende toezicht der Verzekeringskamer zal ook op dit punt effectief moeten zijn. Door haar adviesrecht van art. 24 zal zij voor eene behoorlijke naleving der statuten op het punt van overdracht der aandeelen kunnen waken en ook overigens wellicht kunnen bereiken, dat het aandeelenkapitaal door overdrachten aan onsolvabele personen geen schijnkapitaal wordt.

2. De in het 2de lid van dit artikel bedoelde algemeene maatregel van bestuur is, voorzoover betreft de vaststelling van geringere bedragen als kapitaalsminima voor naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, tot stand gekomen bij K. B. van 5 November 1923, Stbl. no. 507. Daarin is bepaald, dat ten aanzien van naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, ontstaande uit ondernemingen met gemengd bedrijf door splitsing van bedrijf op grond van het in het 2de lid van art. 9 der wet gegeven voorschrift, het kapitaalsminimum wordt teruggebracht tot ƒ 250.000. Dit voorschrift vergemakkelijkt de splitsing van naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen met gemengde bedrijven. De met het oog op de afsluiting van nieuwe overeenkomsten van l.v. noodzakelijke splitsing kan men natuurlijk tot stand brengen door alles wat niet levensverzekeringbedrijf is over te brengen naar eene nieuwe maatschappij. Deze wijze kan echter moeilijkheden meebrengen, omdat men als het b.v. betreft ongevallen- of ziekteverzekeringen deze niet tegen den zin der verzekerden kan overbrengen. Daarentegen vergemakkelijkt Hoofdstuk

Sluiten