Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

Artikel 15—16.

daarbij „De kapitaalseisch is verhoogd tot een millioen gulden. Met het beginsel van meerdere differentiatie kan de Regeering zich "vereenigen. Bij den algemeenen maatregel van bestuur kunnen [,'andere eischen worden gesteld voor volksverzekering, wellicht ook "voor spaarkassen en begrafenisfondsen, en voor onderlinge maatschappijen, welke slechts met hare leden overeenkomsten van ['levensverzekering sluiten. Daarbij kan dan voor zooveel noodig "met herverzekering rekening worden gehouden." Zooals hierboven I's medegedeeld, heeft men echter bij den bedoelden algemeenen maatregel van bestuur, den kapitaalseisch slechts verlaagd ter vergemakkelijking van eene splitsing van bedrijven en ter bevordering van eene gewenschte omzetting van den eenen rechtsvorm in een anderen, meer passenden. Bij het groot aantal bestaande maatschappijen van levens- en volksverzekering en spaarkasondernemingen leek het niet noodig door verlaging van den kapitaalseisch voor bepaalde kategorieën oprichting van nieuwe te bevorderen.

3. Van de bevoegdheid, in het 2de lid aan de Regeering gegeven om bij algemeenen maatregel van bestuur voorwaarden vast te stellen, waaronder eene onderlinge maatschappij het waarborgkapitaal kan terugbetalen en aan aandeelhouders vrijstelling verleenen van de verplichting tot bijstorting, is totnutoe geen gebruik gemaakt. Hieruit volgt, dat na de inwerkingtreding der wet nieuw opgerichte of op te richten onderlinge maatschappijen het waarborgkapitaal niet kunnen terugbetalen en geene vrijstelling van den bij stortingsplicht kunnen verleenen. Daar art. 15 niet toepasselijk is op bestaande maatschappijen, behoort de bedoelde terugbetaling en vrijstelling voor haar niet tot de onmogelijkheden. Zie overigens de toelichting op art. 13, 9°.

Artikel 16.

Naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen oefenen het levensverzekeringbedrijf niet uit, tenzij haar maatschappelijk- of waarborgkapitaal is geplaatst tot het bedrag, dat dit kapitaal op grond van artikel 15 ten minste moet bedragen.

Het spreekt van zelf, dat dit artikel alleen van toepassing is op die naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen, voor wie de kapitaalseisch van art. 15 geldt. Art. 16 is dus niet toepasselijk op tijdens de inwerkingtreding der wet bestaande naamlooze vennootschappen, onderlinge maatschappen en andere rechtspersonen en evenmin op nieuw op te richten naamlooze vennootschappen of onderlinge maatschappijen, die ontstaan door omzetting van eene onderneming van een natuurlijken persoon in een van die rechtsvormen. Zie wat betreft buitenlandsche maatschappijen de toelichting op art. 19.

Sluiten