Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

85

Artikel 16—17.

De m dit artikel geeischte algeheele plaatsing van het minimumkapitaal, in art. 15 genoemd, betreft uiteraard zoowel het in lid 1 van art. 15 genoemde bedrag van één millioen gulden als de lagere minima, genoemd en bedoeld in den in lid 2 van art. 15 bedoelden maatregel van bestuur (K. B. van 5 November 1923. Stbl. n°. 507).

Zoolang de in dit artikel bedoelde plaatsing van kapitaal niet heeft plaats gehad, zal de Verzekeringskamer dus niet de in art. 18 der wet bedoelde verklaring mogen afgeven (zie art. 17, 5°)

Artikel 17.

9e..*on£efnemingen tot het uitoefenen van het levensverzekeringbedrijf zijn verplicht aan de Verzekeringskamer over te leggen-

1«. een authentiek afschrift of een afschrift of afdruk, door alle bestuurders geteekend, harer akte van oprichting;

2°. voor zoover eene naamlooze vennootschap betreft, het bewijs, dat op de akte of een ontwerp daarvan de Koninklijke bewilliging is verkregen, en dat het kapitaal is gestort ten minste tot het in artikel 51 van het Wetboek van Koophandel bedoelde bedrag-

3°. het bewijs, dat de akte is openbaar gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant;

il' 8*ttkken' bouwende opgave van bestuurders en commissarissen;

5 . stukken ten bewijze, dat de onderneming ook overigens vold0"..fan de eischen, tot het uitoefenen van het levensverzekerinebednjf bij of krachtens deze wet gesteld.

De beteekenis van de artt. 17 en 18 is deze, dat na de inwerkingtreding der wet (op 15 November 1923) opgerichte ondernemingen in het geheel niet en tijdens die inwerkingtreding bestaande ondernemingen na 2 jaren na de inwerkingtreding niet nieuwe overeenkomsten van levensverzekering mogen sluiten tenzij zij vooraf van de Verzekeringskamer hebben ontvangen eene verklaring dat de betreffende onderneming aan de gestelde eischen heeft voldaan, üeze eischen, genoemd in art. 17, hebben in hoofdzaak betrekking1 . op den rechtsvorm der onderneming, 2°. op het maatschappelijk of waarborgkapitaal der onderneming, en 3°. op de organisatie der onderneming, indien zij is eene onderlinge maatschappij. De sub 2° bedoelde kapitaalseisch is ook alleen gesteld voor na de inwerkingtreding der wet nieuw op te richten maatschappijen. Uit een en ander volgt, dat in de uitreiking der verklaring van art 18 door de Verzekeringskamer niet een bewijs mag worden gezien, dat deze Kamer van oordeel is, dat de maatschappij zich in een gunstigen f'nantle:flen toestand bevindt. In het bij K. B. van 13 September n°. 21 vastgestelde model van de verklaring van art 18 is zulks ook tot uitdrukking gebracht, (in dit model, hierachter afgedrukt op blz. 207, komt voor de zinsnede: „Deze verklaring betreft

Sluiten