Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

Artikel 17.

„het bedrijf kan vereenigen. Er is daarom in tegenstelling tot „de vroegere ontwerpen niet geëischt, dat de voorwaarden van verzekering aan de Verzekeringskamer vóór den aanvang van het „bedrijf moeten worden medegedeeld. Zelfs de schijn, als zou de „verklaring eene goedkeuring inhouden van de te gebruiken tarieven „moet worden vermeden. De Verzekeringskamer kan op grond van „artikel 21 x) later dadelijk mededeeling van de tarieven vragen, „en heeft dus aan eene dergelijke bepaling geen behoefte.

„Bij wijziging zal geene nieuwe verklaring noodig zijn. In verband met het boven ontwikkelde systeem is zulks niet noodig en „de bepaling zoude geen effect hebben, omdat men, bij wijziging, „toch niet aan de oude verklaring zou kunnen zien, dat zij was „vervallen".

2. 7°. akte van oprichting. Ten aanzien van nieuw op te richten ondernemingen kan deze alleen zijn de aan de artt. 12 en 13 der wet voldoende akte van oprichting der onderlinge maatschappij of de oprichtingsakte der naamlooze vennootschap. Krachtens art. 21, 2de lid, moeten deze ondernemingen later bij aangebrachte wijzigingen in de oprichtingsakte binnen 14 dagen daarna daarvan opgave doen aan de Verzekeringskamer. Wat betreft bestaande ondernemingen, behoort eveneens overgelegd te worden de oprichtingsakte. Er moet dan blijken, dat de onderneming rechtspersoonlijkheid bezit. Immers volgt uit art. 81, dat aan een natuurlijken persoon nimmer de verklaring van art. 18 der wet kan worden uitgereikt.

door alle bestuurders geteekend. Hiermede zijn bedoeld de tegenwoordige bestuurders, niet de bij de oprichting bestaande bestuurders.

3. 2°. Het bewijs dat de Koninklijke bewilliging is verleend kan o.a. geleverd worden door overlegging van de onder 3°. bedoelde Nederlandsche Staatscourant, waarin de oprichtingsakte is openbaar gemaakt. K

ten minste tot het in artikel 51 van het Wetboek van Koophandel bedoelde bedrag.

Art. 51 W. v. K. luidt: „De vennootschap zal haren aanvang niet „kunnen nemen, ten ware ten minste tien ten honderd van het „gemeenschappelijk kapitaal gestort zij".

Indien dus het maatschappelijk kapitaal één millioen gulden bedraagt, moet minstens een bedrag van ƒ 100.000.— gestort zijn daar art. 16 bepaalt, dat het maatschappelijk kapitaal van één milhoen gulden ook moet geplaatst zijn. Bij een grooter maatschappelijk kapitaal dan één millioen gulden, waarvan één millioen

x) Bedoeld zal hier waarschijnlijk zijn art. 18 O. W. (art. 23 der wet).

Sluiten