Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

Artikel 17.

gulden geplaatst is, zou zich de vraag kunnen voordoen, of geëischt wordt storting van 10 % van het maatschappelijk of van het geplaatste kapitaal. De gekozen redactie pleit m.i. voor het laatste. Waar gesproken wordt van „het kapitaal is gestort" kan alleen bedoeld zijn het geplaatste kapitaal, daar uiteraard storting op ongeplaatst kapitaal onmogelijk is. De redactie van art. 51 W. v. K. zelf geeft reden tot twijfel.

Een andere vraag is, of ten aanzien van bij de inwerkingtreding der wet bestaande naamlooze vennootschappen de 10 % moet gestort zijn op het bij de oprichting geplaatste kapitaal of op het kapitaal, dat geplaatst was bij de indiening der stukken van art. 17. De woorden „het kapitaal" op zich zelve wijzen in de laatste richting. Toch moet men m.i. het eerste aannemen. Uit niets blijkt, dat de Regeering andere eischen heeft willen stellen dan die, welke genoemd zijn in art. 51 W. v. K. Blijkbaar heeft men door het voorschrift van art. 17, 2°., willen bereiken, dat de Verzekeringskamer zich zal vergewissen, dat aan genoemd art. 51 voldaan is. Zonder dat voorschrift zou zij het niet hebben behoeven te doen. Het gevaar zou dan hebben bestaan, dat later beslist zou moeten worden, dat de vennootschap niet had kunnen aanvangen omdat de 10% van het geplaatste kapitaal niet gestort waren. Naar aanleiding van de in het V. V. door sommige leden geopperde twijfel, of storting van 10 % op de aandeelen ingevolge art. 51 W. v. K. voldoende is te achten, gaf de Regeering bij de M. v. A. te kennen, dat zij geen afdoende reden zag om van het algemeene beginsel van art. 51 W. v. K. af te wijken. Dit laatste gezegde sloeg blijkbaar op het percentage (10% of meer) der storting. Maar van de bedoeling om in ander opzicht af te wijken van het bij art. 51. W. v. K. bepaalde is niet gebleken.

3. 5°. De hier bedoelde overige eischen zijn wat betreft na de inwerkingtreding der wet op te richten ondernemingen:

1°. dat die onderneming is eene naamlooze vennootschap of onderlinge maatschappij (art. 9);

2°. dat zij heeft een geplaatst maatschappelijk of waarborgt kapitaal van minstens één millioen gulden, tenzij het betreft ondernemingen, die krachtens K. B. van 5 November 1923, Stbl. no. 507, een lager geplaatst kapitaal mogen hebben of aan welke krachtens art. 81, 3de lid, jo. art. 78, 1ste zinsnede, in het geheel geen kapitaalseisch gesteld mag worden;

3°. dat zij ten doel hebben uitoefening van het levensverzekeringbedrijf, als bedoeld in Hoofdstuk I der wet;

4°. dat zij niet ten doel hebben het uitoefenen van nevenbedrijven;

5°. dat zij, als zij zijn onderlinge maatschappijen in den zin van art, 11 der wet, voldoen aan de artt. 12, 13 en 14 der wet;

Sluiten