Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

Artikel 18—19.

2. Het model der hier bedoelde verklaring is vastgesteld bij K. B. van 13 September 1923, no. 21 (zie bijlage V). Aan het slot daarvan komt voor: „Deze verklaring betreft niet den geldelijken „toestand der betrokken onderneming; evenmin brengt zij voor den „Staat geldelijke aansprakelijkheid mede". Zie verder voor de beteekenis der verklaring de toelichting op art. 17.

Het feit, dat de onderneming na de ontvangst der verklaring in strijd handelt met de wet door bv. te gaan uitoefenen een nevenbedrijf, brengt wel mede, dat de bestuurders en commissarissen ingevolge art. 68 der wet strafbaar worden, maar kan niet leiden tot intrekking der verklaring. Het in strijd handelen met de wet kan natuurlijk bovendien leiden tot een door de Verzekeringskamer aan de onderneming te geven advies krachtens art. 24, welk advies bij gebreke van door de onderneming ingesteld hooger beroep of bij verwerping van het beroep door de Koningin door de Verzekeringskamer kan worden gepubliceerd. Zie omtrent door de Verzekeringskamer te geven adviezen, die ook om andere redenen dan wegens het in strijd met de wet handelen gegeven kunnen worden, de toelichting op art. 24.

Op dit oogenblik (in Juni 1927) zijn in het geheel krachtens art. 18 199 verklaringen door de Verzekeringskamer uitgereikt, waaronder 8 aan ondernemingen, die met toepassing van art. 1 van het K. B. van 5 November 1923, Stbl. no. 507 (met een kapitaal van ƒ 250.000.—) na dat tijdstip zijn opgericht als gevolg van splitsing wegens het hebben van een nevenbedrijf, en 2 verklaringen aan ondernemingen, die toebehoorden aan een natuurlijk persoon en krachtens art. 81 der wet in eene naamlooze vennootschap of onderlinge maatschappij konden omgezet worden zonder dat daarvoor eenig maatschappelijk of waarborgkapitaal door de wet was voorgeschreven.

3. Lid 2. Zie echter de overgangsbepalingen van Hoofdstuk VI der wet.

4. Lid 3. Het hier voorziene geval heeft zich totnutoe nog niet voorgedaan. Een beroep bij de Koningin na eene mededeeling door de Verzekeringskamer, dat aan de gestelde eischen niet is voldaan, is nimmer ingesteld.

Artikel 19.

Eene onderneming tot uitoefening van het levensverzekeringbedrijf, welke in het buitenland gevestigd is, mag het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, indien zij aan de Verzekeringskamer stukken overlegt waaruit blijkt, dat zij naar het recht van de plaats harer vestiging als rechtspersoon is aan te merken, dat zij een in het Rijk In Europa gevestigd persoon heeft aangesteld als haar vertegenwoordiger aldaar, en dat zij overigens voldoet aan soortgelijke eischen, als in de artikelen

Sluiten