Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

Artikel 19.

15 en 16 gesteld, en aan de krachtens artikel 29 te stellen eischen.

De Verzekeringskamer doet binnen eene maand na ontvangst van de stukken aan de onderneming mededeeling, of naar haar oordeel aan de gestelde eischen is voldaan. Artikel 18 is te dezen van toepassing, behoudens, dat de daar genoemde termijn van vijftig dagen wordt verlengd met zestig dagen, wanneer de onderneming is gevestigd buiten Europa.

1. Zie omtrent de parlementaire geschiedenis van de wettelijke regeling aangaande buitenlandsche maatschappijen, welke hier te lande het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, de Inleiding, § 5.

Men lette er op, dat onder in het buitenland gevestigde ondernemingen krachtens art. 4 ook vallen de ondernemingen, die in de koloniën zijn gevestigd.

2. Uit art. 19 in verband met de overgangsbepaling van art 80 volgt, dat:

1°. buitenlandsche ondernemingen, die tijdens het inwerkingtreden der wet (15 November 1923) hier te lande het l.b. uitoefenden i), gedurende 2 jaren (welke termijn door de Verzekeringskamer verlengd kan worden met 3 jaren) kunnen doorgaan met het afsluiten van nieuwe overeenkomsten en ook daarna de loopende overeenkomsten kunnen afwikkelen. Deze ondernemingen behoeven in geen geval te voldoen aan soortgelijke eischen als bij of krachtens de artt. 15 en 16 (kapitaalseischen) gesteld en behoeven, indien zij zich tot de evengenoemde werkzaamheden beperken, niet in het bezit te zijn van de verklaring van art. 18 en dus ook niet een vertegenwoordiger hier te lande aanstellen, indien zij zulk een vertegenwoordiger niet reeds hebben. Wel moeten zij voldoen aan de voorschriften, krachtens art. 29 vastgesteld bij K B van 29 Januari 1924, Stbl. no. 24. Bij dit K. B. is echter bij art.'15 eene belangrijke uitzondering gemaakt voor bestaande buitenlandsche ondernemingen, die binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van het K. B. aan de Verzekeringskamer schriftelijk hebben kennis gegeven2), dat zij voortaan nieuwe overeenkomsten met hier te lande gevestigde personen niet meer wenschen te sluiten en slechts

!) Dat voor de toepasselijkheid van de overgangsbepaling van art. 80 beu i1sj vereischte te stellen uitoefening van het l.v.bedrljf hier te lande hoewel deze woorden niet voorkomen in de 1ste zinsnede van art 80 1ste lid' blijkt uit de uitlating der Regeering bij de M. v. A. (artt. 78-81) naar aanleiding van eene desbetreffende opmerking in het V. V. (bij art 79): Het is „niet noodig ten aanzien van eene in het buitenland gevestigde onderneming „het voorbehoud te maken, dat zij hier te lande het bedrijf uitoefent. Immers „art. 7 (art. 2, oud) beheerscht de geheele wet". Overigens blijkt die bedoeling ook reeds uit de in de 2de zinsnede van art. 80, lid 1, voorkomende woorden „met de uitoefening van hun bedrijf voortgaan".

2) 20 ondernemingen hebben deze kennisgeving aan de Verzekeringskamer

Sluiten