Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

Artikel 19—20.

zal dit natuurlijk intact moeten zijn tot het in art. 15 genoemde bedrag (één millioen gulden).

4°. dat zij voldoet aan de krachtens art. 29 gestelde eischen (zie hierover de toelichting op art. 29).

Aan de buitenlandsche ondernemingen is dus niet de eisch gesteld, dat zij geen nevenbedrijf uitoefenen. Zij zullen dus alle soorten van verzekeringen mogen sluiten en zelfs op ander gebied dan het verzekeringbedrijf mogen werken, als hare statuten haar zulks veroorloven. Had onze wet ook aan buitenlandsche ondernemingen de eisch gesteld van alleen het l.v.-bedrijf te mogen uitoef enen, dan ware daarmede de werkzaamheid van buitenlandsche ondernemingen hier te lande zeer beperkt geworden, omdat meerdere buitenlandsche wetgevingen wel veroorloven om de verschillende takken van het verzekeringbedrijf als levensverzekering-, brand-, zee-, transportverzekering enz. samen uit te oefenen. De voornaamste reden, waarom voor binnenlandsche ondernemingen nevenbedrijven zijn uitgesloten, nl. dat daardoor door de crediteuren van het l.v.-bedrijf buitengewone risico's worden geloopen, behoeft voor buitenlandsche ondernemingen minder te wegen, omdat krachtens art. 29 der wet en het K. B. van 29 Januari 1924, Stbl. no. 24, de bedoelde crediteuren op de hier te lande te deponeeren premiereserve bevoorrecht zijn.

3. 2de lid. Bij de behandeling in de Tweede Kamer werd aangenomen een amendement-Deckers, waarvan de strekking was, dat ingevoegd werden de woorden „naar haar oordeel". De redactie was daarmede in overeenstemming gebracht met die van art. 18.

Artikel 20.

De vertegenwoordiger in het Rijk in Europa eener in het buitenland gevestigde onderneming heeft, wat de uitoefening van het bedrijf in het Rijk in Europa betreft, alle bevoegdheden welke het bestuur der onderneming bezit, met name de bevoegdheid verzekeringen te sluiten en voor de onderneming in rechte op te treden.

Met betrekking tot alle in het Rijk in Europa loopende verzekeringen, wordt de onderneming geacht woonplaats te hebben ten kantore of, bij gebreke van kantoor, ten woonhuize van haren vertegenwoordiger aldaar.

Ontslag van den vertegenwoordiger is niet geldig, tenzij het gepaard gaat met aanstelling van een nieuwen vertegenwoordiger; het gaat niet in, voordat de akten van ontslag en van aanstelling van den opvolger bij de Verzekeringskamer zijn ingeleverd en deze bij aangeteekenden brief aan het bestuur heeft medegedeeld, dat zij daartegen geen bezwaar heeft

De vertegenwoordiger, die bedankt heeft, behoudt die hoedanigheid, totdat hij van zijn bedanken kennis heeft gegeven aan de Verzekerings-

Sluiten