Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

Artikel 20.

In het V. V. werd opgemerkt, dat volgens de bestaande regeling de buitenlandsche maatschappij de vertegenwoordiging elk oogenblik kan intrekken, en werd gevraagd, of niet zou moeten worden bepaald, dat intrekking of vervanging dier vertegenwoordiging in Nederland geen gevolg zou hebben, indien zij niet door de Verzekeringskamer is goedgekeurd. Ook achtte men voorschriften noodig, waardoor de aansprakelijkheid van den vertegenwoordiger hier te lande voor aanspraken van Nederlandsche polishouders komt vast te staan en effectief zal zijn. Daarop werd door de Regeering in het G. O. het tegenwoordige art. 20 ontworpen, welks voorschriften, naar zij zeide, grootendeels waren ontleend aan het Ontwerp 1895 der in 1892 ingestelde Staatscommissie-Molengraaff.

In de eerste plaats doet zich de vraag voor, of art. 20 slechts van toepassing is op die buitenlandsche ondernemingen, die, na voldaan te hebben aan de bij art. 19 gestelde eischen en dus ook na het bewijs te hebben geleverd, dat zij een in het Rijk in Europa gevestigd persoon als haar vertegenwoordiger hebben aangesteld, ontvangen hebben de verklaring van art. 18, dan wel mede op die buitenlandsche ondernemingen, die zonder in het bezit te zijn van die verklaring, gedurende 2 jaren na de inwerkingtreding der wet met het bedrijf voortgaan en na afloop van dien termijn de loopende overeenkomsten afwikkelen. De beantwoording moet luiden in eerstbedoelden zin. Immers zegt art. 80, 2de lid, uitdrukkelijk, dat buitenlandsche ondernemingen, die niet in het bezit zijn van de verklaring van art. 18, niettemin aangemerkt worden als verzekeraar in den zin van de artt. 22 tot en met 28, 31, 32 en 34 tot en met 38 en dat de voorschriften, ten aanzien van deze personen krachtens art. 29 gegeven, worden in acht genomen. Daaruit is niets anders af te leiden dan dat die buitenlandsche ondernemingen niet zijn te beschouwen als verzekeraars in den zin van art. 20.

Het ontwerp-Molengraaff, waaraan de Regeering zeide de regeling van art. 20 te hebben ontleend, hield daarentegen duidelijk in, dat ook buitenl. ondernemingen, die hier te lande bij het inwerkingtreden der wet het l.v.-bedrijf uitoefenden, verplicht waren hier te lande een vertegenwoordiger aan te stellen (art. 89).

Lid 1. De vertegenwoordiger moet blijkens lid 1 van art. 19 in het Rijk in Europa gevestigd zijn, m.a.w. hij moet hier te lande wonen. Niet is, als in sommige buitenlandsche wetgevingen, de eisch gesteld, dat de vertegenwoordiger een nationale moet zijn, in casu een Nederlander. Slechts een natuurlijk persoon, niet een rechtspersoon kan als vertegenwoordiger worden aangesteld. Immers heeft de wet in de artt. 68 en 70 bepaald, dat de gestelde straffen van hechtenis en geldboete zullen worden uitgesproken ten aanzien van rechtspersonen tegen de bestuurders of commissarissen en ten aanzien van buitenlandsche ondernemingen tegen den bij art. 20

Sluiten