Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

Artikel 20.

worden voor den rechter van dat kanton of die woonplaats. Daardoor is evenwel niet uitgesloten, dat die exploiten en aanzeggingen ook gedaan kunnen worden ten hoofdkantore in het buitenland en dat gedagvaard kan worden voor den rechter van dat hoofdkantoor. Niet zal echter door partijen mogen worden overeengekomen, dat exploiten, aanzeggingen enz. moeten worden gedaan ten hoofdkantore in het buitenland en dat voor den rechter aldaar gedagvaard moet worden.

Zie voor het geval de vertegenwoordiger komt te ontbreken, het laatste lid van art. 20.

Lid 3 en 4. Tengevolge van de aanneming van amendementenDeckers c.s. is hier tot uitdrukking gekomen, dat ontslag of bedanken van den vertegenwoordiger zonder meer ten aanzien van derden niet het gevolg heeft, dat de vertegenwoordiger zijne hoedanigheid verliest. Dit gevolg treedt eerst in, nadat de Verzekeringskamer aan het bestuur heeft meegedeeld, in geval van ontslag, dat zij tegen het ontslag en de aanstelling van een nieuwen vertegenwoordiger (waarvan tegelijk met de akte van ontslag een akte bij de V.-K. moet worden ingediend) geen bezwaren heeft, en in geval van bedanken, dat zij daartegen geen bezwaar heeft. Kennelijk is dus de bedoeling, dat bij ontslag dit niet door de Verzekeringskamer wordt goedgekeurd voordat is komen vast te staan, dat de oude vertegenwoordiger onmiddellijk wordt opgevolgd door een nieuwen, wiens akte van aanstelling tegelijk met de akte van ontslag van den anderen vertegenwoordiger moet worden ingediend. In het geval van bedanken behoeft wel is waar volgens het 7de lid de akte van aanstelling eerst binnen ééne maand na het ontbreken van den ouden vertegenwoordiger bij de Verzekeringskamer worden ingeleverd, maar de praktijk zal wel meebrengen, dat ook in dat geval de V.-K. de meedeeling, dat zij geen bezwaar heeft, niet doet vóórdat zij de zekerheid heeft verkregen, dat de nieuwe vertegenwoordiger zich onmiddellijk aansluit bij den vroegeren en dat niet een strooman als zoodanig wordt gesteld.

Lid 8. Uit de verwijzing in dit lid naar de woonplaats der onderneming volgens het 2de van dit artikel volgt, dat dit lid alleen van toepassing is als er tevoren een vertegenwoordiger krachtens dit artikel is geweest. Hierboven is betoogd, dat er van een vertegenwoordiger krachtens dit artikel alleen sprake kan zijn bij buitenl. ondernemingen, die in het bezit zijn van de verklaring van art. 18. Op andere buitenl. ondernemingen is dus ook het laatste lid van art. 20 niet toepasselijk en die ondernemingen kunnen dus nimmer geacht worden woonplaats te hebben ten parkette van een officier van justitie.

7

Sluiten