Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

Artikel 27.

1. De bij de artt. 27 en 28 voorgeschreven indiening van staten bij de Verzekeringskamer en openbaarmaking van een jaarlijksch verslag, behelzende die staten, zijn een uitvloeisel van een van de hoofdbeginselen der wet nl. de openbaarheid. In het V. V. (§ 4) werd door vele leden een stelsel van meer beperkte openbaarheid dan in het ontwerp was opgenomen bepleit. Zij oordeelden, dat zulks belangrijke besparing voor de ondernemingen zou opleveren en haar zou vrijwaren tegen gezochte en onwelwillende critiek, die anders ook ten opzichte van volkomen soliede ondernemingen niet achterwege zou blijven. In verband daarmede wenschten die leden de modelstaten ook niet in de wet, zooals in het ontwerp was geschied, te zien vastgelegd, doch in een algemeenen maatregel van bestuur. Daarvoor werd ook nog aangevoerd, dat de wet een proef nam met een gemengd stelsel, dat van openbaarheid, aangevuld door het toezicht en de adviseerende taak der V.-K. Naar mate zou blijken, waar het zwaartepunt zou komen te liggen, bij de openbaarheid of bij het toezicht, zouden de staten anders ingericht moeten zijn. Ook zou het wel onmogelijk blijken om aan de staten bij de eerste vaststelling den best denkbaren vorm te geven. Verder achtten sommige leden vaststelling van de staten bij de wet ongewenscht, met het oog op den overgangstijd, waarin het moeilijk zou zijn voor maatschappijen, die verliezen hadden geleden, doch aan wier soliditeit niet behoefde te worden getwijfeld, om zich dadelijk in het volle licht te plaatsen. Bij de M. v. A (§ 4) kantte de Regeering zich sterk tegen de verstrekking van tweeërlei soort van gegevens, eene soort van minder verstrekkende aan het publiek en een andere soort van meerdere uitvoerigheid aan de Verzekeringskamer. Zij wees er op, dat het ontwerp in de overgangsvoorschriften de gelegenheid liet om de eerste jaren met publicatie te wachten. Doch verder wilde zij niet gaan. Ook aan het publiek zouden volledige gegevens moeten worden verstrekt. Wel was de Regeering genegen de staten zelve uit het ontwerp te lichten en deze te doen vaststellen bij algemeenen maatregel van bestuur. Niet omdat de openbaarheid varf de in de wet neergelegde staten haar te ver ging. Ook niet, omdat eerst de praktijk zou moeten aanwijzen waar het zwaartepunt der wet zou komen te liggen, bij de openbaarheid of bij het toezicht (volgens haar was de openbaarheid een der fundamenten van het ontwerp). Maar met het oog op den aard van de te regelen bijzonderheden, welke voor een groot deel zijn van technischen aard. Wijziging van het eenmaal in den algemeenen maatregel vastgelegde zou echter naar hare meening tot het strikt noodzakelijke moeten worden beperkt, ook met het oog op de aan eene ingrijpende verandering voor de ondernemingen verbonden kosten.

Bij het G. O. werd daarop in het 1ste lid van art. 27 de vast-

Sluiten