Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

Artikel 27.

ment aldus werd toegelicht, dat het strekte om het voorschrift in overeenstemming te brengen met den tekst van staat III, gelijk deze aanvankelijk vermeld was achter het oorspronkelijk wetsontwerp en om niet voedsel te geven aan het denkbeeld, dat slechts een bepaalde methode van reserveberekening geoorloofd zou zijn.

Bij de behandeling der beide amendementen in de Tweede Kamer werd ook nog door den Minister van Justitie te kennen gegeven, dat uit de door de Regeering bij het G. ö. aan art. 27 gegeven redactie niet mocht worden afgeleid, dat een bepaalde methode van reserveberekening verplichtend was gesteld.

De in art. 27 bedoelde modellen der staten zijn, na ingewonnen advies der Verzekeringskamer, vastgesteld bij K.B. van 18 Juli 1925 Stbl., no. 335. In tegenstelling met de aan het O. O. toegevoegde staten, die zouden gelden voor alle onder de wet vallende ondernemingen, ook b.v. voor spaarkasondernemingen, waarvoor zij echter niet waren ingericht, stelt het K.B. verschillende modellen van staten voor de verschillende categorieën van ondernemingen vast en wel

a. voor levens- en volksverzekeringondernemingen en begrafenisfondsen (staten L 1 tot en met 17),

b. voor spaarkasondernemingen (staten S 1 tot en met 16),

c. voor kleine plaatselijke begrafenisfondsen (staten B 1 tot en met 8),

d. voor omslagfondsen (staten O 1 tot en met 7),

e. voor buitenlandsche ondernemingen (staat K) . Teneinde de overzichtelijkheid te bevorderen is bij art. 2, 2de

lid, van het K. B. voorgeschreven, dat de staten bij de Verzekeringskamer worden ingediend op de formulieren, welke door haar op aanvrage tegen door haar vast te stellen prijzen ter beschikking van de ondernemingen worden gesteld.

Art. 27 schrijft voor, dat de staten onderteekend aan de Verzekeringskamer moeten worden ingezonden. De onderteekening is , gevorderd als een waarborg voor de Verzekeringskamer, dat de staten ingediend zijn door hen, die namens de onderneming tot die indiening bevoegd zijn. Uit de statuten der ondernemingen moet die bevoegdheid afgeleid worden. Op het niet nakomen der verplichtingen, opgelegd bij of krachtens art. 27, is bij art. 70 der1 wet straf gesteld. Straf is dus gesteld niet alleen op het niet indienen der' staten vóór den gestelden datum, 1 Juli, (of als de Verzekeringskamer krachtens art. 27 op grond van bijzondere omstandigheden toestemming heeft verleend de indiening tot een lateren datum uit te stellen, vóór dien datum) doch ook op de niet-onderteekening der staten en het door opzet of schuld niet naar waarheid invullen der staten en het door opzet of schuld niet naar waarheid beantwoorden der gestelde vragen.

Sluiten