Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111

Artikel 27—28.

De onderteekening geeft geen uitsluitsel omtrent de vraag welke personen strafbaar zijn. Immers bepaalt art. 70, 2de lid, j° art. 68, 2de lid, dat, indien het feit wordt begaan door of vanwege eene' naamlooze vennootschap, eene coöperatieve of andere rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging of eene stichting, de strafvervolging wordt ingesteld en de straf uitgesproken tegen de bestuurders en commissarissen. Daarbij is echter te letten op art. 51 van het Wetboek van Strafrecht, luidende: „In de gevallen waarin „wegens overtreding straf wordt bepaald tegen bestuurders, leden „van eenig bestuur of commissarissen, wordt geene straf uitgesproken tegen den bestuurder of commissaris van wien blijkt dat „overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd".

De staten L 15, S 15, B 7 en O 7 behooren behalve door de daarvoor in aanmerking komende organen der maatschappij door haren verzekeringswiskundige te worden onderteekend. Gewenscht is, dat ook de staten L 16, S 16 en B 8 mede door dien verzekeringswiskundige worden onderteekend. Indien staten medeonderteekend zijn door een accountant, moet in die staten worden meegedeeld, of de accountant zich al dan niet overtuigd heeft, dat de staat den werkelijken toestand weergeeft (art. 14 van het K B van 18 Juli 1925, S. 335).

2. Aan de verplichting tot indiening der staten bij de Verzekeringskamer behoefde ingevolge art. 82 der wet eerst voldaan te worden in 1926. Voor het voldoen aan die verplichting kan echter door de Verzekeringskamer uitstel verleend worden en wel voor hquideerende ondernemingen voor onbepaalden tijd en voor produceerende ondernemingen voor een termijn van ten hoogste 2 iaar dus tot 1928 (2de lid van art. 82). '

3. Het door de Verzekeringskamer in te stellen onderzoek naar de juistheid van de bij de ingediende staten verstrekte gegevens welk onderzoek steeds kan, maar eens in de 10 jaren moet worden ingesteld, kan uiteraard geschieden door de verschillende middelen die aan de Verzekeringskamer ten dienste staan als het vragen yan inlichtingen (art. 23), het hooren van getuigen en deskundigen (art. 30) en het ten kantore van den verzekeraar of daar, waar die stukken zich bevinden, inzage nemen of doen nemen van diens boeken en bescheiden (art. 31).

Artikel 28.

Ieder verzekeraar is verplicht, telken jare een verslag te doen opmaken. In dit verslag moeten de staten worden opgenomen, welke zonde V°"ge artiktl de Verzekeringska«ner zijn toege-

Het verslag wordt gedurende drie jaren, te rekenen van het einde van het boekjaar, waarop het betrekking heeft, ter beschikking van aandeelhouders en polishouders gesteld tegen eene vergoeding

Sluiten