Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

Artikel 29—30.

neming die waarden nogmaals van die bankinstelling kan opvorderen. Tegenover de bankinstelling is zulks niet onbillijk, omdat krachtens art. 7, lid 8, van het K. B. in de akte van bewaarneming onder meer is opgenomen, dat de afgifte niet mag geschieden zonder machtiging van de V.K. Zoo zal ook, indien een hypothecaire schuldenaar van een hypotheek, die door de inbewaargeving bij eene bankinstelling van de schriftelijke schuldbekentenis (hypotheekakte) als waarde tegenover de binnenlandsche verzekerden verbonden is, een overeengekomen of extra-aflossing doet zonder de voorgeschreven machtiging van de V.K., die schuldenaar niet bevrijd zijn. Immers is de inontvangstname van die aflossing zonder de machtiging van de V.K. nietig. Ook tegenover den hypothecairen schuldenaar wordt dan geene onbillijkheid begaan, daar in de hypotheekakte was opgenomen of aan den schuldenaar door de V.K. was kennisgegeven (bij overeengekomen aflossingen), dat machtiging van de V.K. werd vereischt.

4. Tegen niet voldoen aan een der verplichtingen, opgelegd bij of krachtens art. 29, is bij art. 70 straf bedreigd. Ingevolge art. 68 wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen den bij art. 20 bedoelden vertegenwoordiger.

Artikel 30.

De Verzekeringskamer is bevoegd getuigen en deskundigen op te roepen. Deze zijn verplicht te verschijnen.

De oproeping geschiedt op de wijze, door de Verzekeringskamer te bepalen.

De oproeping door middel van dagvaarding geschiedt door een deurwaarder of dienaar der openbare macht op de wijze, voorgeschreven bij artikel 144 van het Wetboek van Strafvordering. De termijn van dagvaarding bedraagt ten minste drie vrije dagen.

Indien een getuige of deskundige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de Verzekeringskamer daarvan proces-verbaal opmaken. Zij kan hém andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel tot medebrenging.

Tot het uitbrengen van eene dagvaardiging en tot de tenuitvoerlegging van een bevel tot medebrenging verleent het openbaar ministerie desgevorderd zijne tusschenkomst.

De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen om de van hen gevorderde diensten te bewijzen.

De Verzekeringskamer is bevoegd den getuige of deskundige, mits deze den leeftijd van vijftien jaren vervuld hebbe, den eed af te nemen; de getuige legt den eed af, dat hij de geheele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, de deskundige, dat hij zijne taak naar zijn geweten zal vervullen.

De artikelen 17 en 23, eerste lid, der wet van 5 Augustus 1850 (Staatsblad n°. 45), gelijk die laatstelijk is gewijzigd, zijn van overeenkomstige toepassing.

Sluiten