Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

Artikel 30.

Tot het afnemen van verhooren van getuigen en deskundigen houdt de Verzekeringskamer zitting ter plaatse, door haar naar gelang der omstandigheden te bepalen.

De Verzekeringskamer kan aan één of meer harer leden opdragen een getuige of deskundige te gaan hooren.

Aan getuigen en deskundigen wordt op hun verlangen door den voorzitter vergoeding toegeschat op den voet van het tarief, vastgesteld ingevolge artikel 57, eerste lid, der Beroeps wet.

De kosten van de verrichtingen van deurwaarders worden berekend op den voet van het tarief van gerechtskosten in strafzaken.

Dit artikel is geheel overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in het O. O. behalve dat, nadat de Regeering bij de mondelinge behandeling had voorgesteld om tusschen de woorden „de" en „waarheid" in te voegen het woord „geheele", het artikel, aldus gewijzigd, is aangenomen. Aan de Verzekeringskamer is bij dit artikel het recht van enquête toegekend. De Mem. van Toel. zegt ten aanzien van de tegenwoordige artt. 30 en 31 het volgende: „Wanneer de Verzekeringskamer van alle zijden medewerking „ondervindt, heeft zij geene bijzondere enquête bevoegdheden „noodig. Maar ook met de mogelijkheid, dat dit anders is, moet „rekening worden gehouden. Vandaar de hier voorgestelde „artikelen, welke regelen nopens het hooren van getuigen en deskundigen en de inzage van boeken én bescheiden. Ook hij, op „wiens onderneming het onderzoek betrekking heeft, kan als ge„tuige worden gehoord. Men kan immers niet zeggen, dat hij „partij is". Zoowel met het oog op den tekst van het artikel zelf als op de toelichting mag aangenomen worden, dat als getuige kunnen worden opgeroepen ook de bestuurders en commissarissen der onderneming of, zoo de onderneming toebehoort aan een natuurlijken persoon, dezen laatsten. Uiteraard moeten het onderzoek en de te stellen vragen betrekking hebben op eene onderneming, die het levensverzekeringbedrijf uitoefent in den zin der wet. Toepasselijk worden verklaard de artt. 17 en 23, 1ste lid, der wet van 5 Augustus 1850, Stbl. no. 45, op de parlementaire enquête. Volgens art. 17 kan de rechtbank de gijzeling van den getuige of deskundige, die weigert te antwoorden of den eed (of belofte) af te leggen, gelasten. De dadelijke gijzeling van den weigerachtigen getuige, die inmiddels tot aan de uitspraak van den president, binnen het locaal, waar de Verzekeringskamer vergadert, in bewaring kan worden gehouden, kan door den president der rechtbank op vordering van de Verzekeringskamer bevolen worden. Deze voorloopige gijzeling houdt op bij de voldoening aan de vroeger niet nagekomen verplichting en vervalt van rechtswege, indien de bekrachtiging daarvan niet binnen 8 dagen bij den rechter is gevraagd. Art. 23 houdt in, dat wanneer de commissie van onderzoek

Sluiten