Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122

Artikel 30—31.

stuk IV der wet, van welk hoofdstuk art. 55 bepaalt, dat bestuurders en commissarissen der maatschappij verplicht zijn voor de Verzekeringskamer en de door deze aangewezen personen, bedoeld bij de artt. 53 en 54, te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zoo dikwijls zij daartoe worden opgeroepen. De vraag moet m.i. bevestigend beantwoord worden. Art. 30 geeft uitgebreidere bevoegdheden dan art. 55 o.a. doordat het mogelijk maakt ook anderen dan bestuurders en commissarissen te doen hooren, deskundigen op te roepen en de getuigen en deskundigen te beëedigen. Er is geen reden om aan te nemen, dat deze bevoegdheden zouden wegvallen ingeval van toepassing op eene maatschappij van de noodregeling van Hoofdstuk IV. De opneming van art. 55 in de wet is hierdoor te verklaren, dat Hoofdstuk IV bijna geheel is overgenomen van de zgn. noodwet van 29 April 1921, Stbl. no. 695, waarin een dergelijk artikel (art. 20) voorkwam. Een zelfstandige beteekenis heeft het ook nu nog, doordat het ook de verplichting oplegt om voor in de artt. 53 en 54 bedoelde personen (door wie de Verzekeringskamer zich, onder bepaalde voorwaarden, kan laten vervangen) te verschijnen. Op het, na ingevolge art. 55 opgeroepen zijn tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijven, hetzij weigeren de vereischte inlichtingen te geven, is bij de artt. 77 der wet jo. art. 194 W. v. S. straf gesteld.

Artikel 31. ^

De Verzekeringskamer is bevoegd inzage te nemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere volmacht aangewezen, te doen nemen van de boeken en bescheiden van een verzekeraar.

Hij die de boeken of bescheiden onder zich heeft I8 desgevorderd verplicht deze daartoe open te leggen.

De daartoe door de Verzekeringskamer gemachtigde personen hebben te allen tijde toegang tot de plaatsen, waar de boeken en bescheiden zich bevinden of vermoed worden zich te bevinden.

Wordt hun den toegang geweigerd, ook na vertoon van hunne machtiging, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm.

Is de plaats tevens eene woning of alleen door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil des bewoners niet binnen dan op schriftelijken last van Onzen Minister van Justitie, welke last bij het binnentreden wordt vertoond.

Van het binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vier en twintig uur aan dengene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld.

1. Dit artikel is geheel overeenkomstig de desbetreffende in het O. O. opgenomen bepalingen behalve dat in het O. O. tusschen de woorden „hebben" en „te' allen tijde" van het tegenwoordig

Sluiten