Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

425

Artikel 34.

wezigheid van verzet van polishouders, vertegenwoordigende 14 van het betrokken verzekerd kapitaal. Doel van Hoofdstuk III is dus wat betreft den overgang naar eene andere maatschappij dwang tegenover de verzekerden uit te oefenen onder waarborg van de belangen dier verzekerden. In het O. O. was de mogelijkheid opengelaten om, als de Verzekeringskamer bezwaar had gemaakt tegen eene overdracht, deze niettemin te laten doorgaan, in welk geval echter weder de goedkeuring der verzekerden zoude vereischt worden, die echter steeds vooraf zou moeten zijn gegaan door mededeeling aan de verzekerden van de bezwaren der Verzekeringskamer (artt. 36 en 37 O. O.). In elk geval zou eene goedkeuring door een verzekerde van den overgang naar eene andere maatschappij ongeldig zijn, indien die geschied was vóórdat de voorgenomen overdracht, overeenkomstig de door de Verzekeringskamer gegeven voorschriften, te zijner kennis was gebracht (art. 37 O. O.). Bij het V. V. werd als de meening van vele leden weergegeven, dat eene overdracht in geen geval zou mogen worden doorgezet, indien de Verzekeringskamer of in hooger beroep de Kroon zich daartegen had verklaard. De Regeering schrapte daarop in het G. O. de zooeven genoemde artikelen (artt. 36 en 37) en bepaalde uitdrukkelijk (in art. 37), dat als polishouders, vertegenwoordigende 14 of meer van het betrokken verzekerd kapitaal, zich tegen de overdracht hebben verzet, deze niet kan volgen ook niet ten aanzien van hen, die zich tegen de overdracht niet hebben verzet. Door een en ander is wel voldoende vast komen te staan, dat, nadat de Verzekeringskamer bezwaar tegen eene overdracht heeft gemaakt of polishouders, vertegenwoordigende meer dan y4 van het betrokken verzekerd kapitaal, zich hebben verzet, van eene overdracht, ook niet ten aanzien van polishouders, die daarmee instemmen, sprake kan zijn, maar ook in het algemeen, dat eene overdracht, krachtens welke alleen zullen overgaan verzekerden, die met den overgang instemmen, slechts kan geschieden met toepassing van Hoofdstuk III. De Regeering heeft immers, erkennende de bezwaren, geuit in het V.V., na de afkeuring van de overdracht door de Verzekeringskamer of door de stemming onder de verzekerden deze laatsten tegen zich zelve willen beschermen door niet toe te laten, dat zij alsnog met den overgang zouden instemmen. Daarmede zoude echter niet in overeenstemming zijn, dat eene maatschappij, door de overdracht uitdrukkelijk te beperken tot de verzekerden, welke den overgang zouden goedkeuren, zich zou kunnen bevrijden van de goedkeuring door de VerzekerfÉigskamer en de stemming onder de verzekerden.

Men kan dus zeggen, dat het doel van Hoofdstuk III is om wat betreft den overgang naar eene andere maatschappij dwang tegenover de verzekerden uit te oefenen onder waarborging van de

Sluiten