Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

Artikel 34.

belangen dier verzekerden en ook om de verzekerden tegen zich zelve te beschermen door niet toe te laten, dat hunne goedkeuring zonder meer eene overdracht zou mogelijk maken. Het spreekt evenwel van zelf, dat de Verzekeringskamer bij hare beoordeel ing van de overdracht niet alleen zal kunnen letten op de belangen der verzekerden, die zullen overgaan, maar ook op die, welke bij de overdragende maatschappij achterblijven, en op die, welke tijdens de overdracht reeds bij de overnemende maatschappij verzekerd waren. Dit is echter iets bijkomstigs en niet het eigenlijke doel van Hoofdstuk III. Ware dit wel het geval, dan zou het Hoofdstuk niet geheel passen in het stelsel van vrijheid en openbaarheid en zou ook niet goed begrijpelijk zijn, waarom de wet ook niet goedkeuring door de Verzekeringskamer had geëischt van overeenkomsten, waarbij geheele portefeuilles bij eene andere maatschappij worden herverzekerd. Door laatstbedoelde overeenkomsten kan immers evenzeer als door overeenkomsten van overdracht de finantiëele positie van beide maatschappijen geheel veranderen.

Indien aldus het doel van Hoofdstuk III wordt vastgesteld, is ook aannemelijk, dat dit Hoofdstuk niet betrekking heeft op alle verbintenissen uit het l.v.-bedrijf van een verzekeraar, maar alleen op de verbintenissen jegens tot de Nederlandsche portefeuille behoorende verzekerden, ter bescherming van wier belangen de wet op het l.v.-bedrijf is in het leven geroepen. Dat dit laatste het geval is blijkt uit art. 7, dat de wet niet van toepassing verklaart op ondernemingen (dus ook niet op hier te lande gevestigde ondernemingen), welke niet overeenkomsten van l.v.-bedrijf met binnen het Rijk in Europa gevestigde personen sluiten of loopende hebben, en uit art. 29, volgens hetwelk ten aanzien van buitenlandsche ondernemingen voorschriften kunnen gegeven worden met betrekking tot het bedrijf hier te lande. In de M. v. T. op art. 2 van het O. O., overeenkomende met het tegenwoordige 1ste lid van art. 7, schreef de Regeering dan ook, dat criterium voor de toepasselijkheid der wet niet mocht zijn de plaats van vestiging der onderneming. „Eene in Nederland gevestigde onderneming, die „haar bedrijf uitsluitend in het buitenland uitoefent, worde door de „wet ongemoeid gelaten. Deze toch heeft uitsluitend ten doel „bescherming van het Nederlandsche publiek". Hiermede is natuurlijk niet in strijd, dat indien eene onder de wet vallende onderneming wel overeenkomsten met buitenlanders sluit, de bescherming zich ook uitstrekt over die verzekerden. Deze laatste bescherming is dan echter niet het eigenlijke doel der wet, maar een noodzakelijk uitvloeisel van de gelijkheid van schuldeischers van een zelfden schuldenaar. Uit het vorenstaande moet m.i. afgeleid worden, dat de wetgever in Hoofdstuk III alleert dwang heeft willen uitoefenen tegen (resp. tegen zich zelve heeft willen

Sluiten