Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

Artikel 39—40.

3°. natuurlijke personen, die het levensverzekeringbedrijf uitoefenen (dit volgt uit het feit, dat in het 2de lid van art. 81 toepasselijk is verklaard het 3de lid van art. 80, in welk 3de lid een aantal artikelen der wet toepasselijk verklaard worden, maar daaronder niet de artt. 39 e.v.).

Indien eene buitenlandsche maatschappij of een natuurlijk persoon redelijkerwijze moet aannemen, dat zij in de toekomst niet aan al hare verplichtingen zal kunnen voldoen, behoort zij haar faillissement hier te lande aan te vragen, in elk geval niet door te gaan met hare opeischbare schulden ten volle te betalen. Immers zou zij, door voort te gaan met 100 % te betalen, terwijl een geringer percentage aanwezig is, de zaak nog meer verzwakken en, bij een later uit te spreken faillissement, onder de strafbepalingen van de artt. 341, 3°, en 343, 3°, W. v. S. (het ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip, waarop men wist, dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeelen) vallen.

Artikel 40.

Wanneer eene levensverzekeringmaatschappij, naar redelijkerwijze te voorzien is, in de toekomst niet aan alle hare verplichtingen zal kannen voldoen, wordt ten aanzien van die maatschappij, op haar eigen verzoek dan wel op verzoek der Verzekeringskamer, door de arrondissements-rechtbank verklaard, dat zij verkeert in een toestand, welke, in het belang der gezamenlijke schuldeischers, bijzondere voorziening behoeft.

Bestuurders en commissarissen, die redelijkerwijze moeten voorzien, dat de maatschappij in de toekomst niet aan alle hare verplichtingen zal kunnen voldoen, zijn tot het indienen van het verzoek namens de maatschappij verplicht. Eene verplichting tot het indienen van het verzoek namens de maatschappij bestaat voor bestuurders en commissarissen niet, wanneer de Verzekeringskamer aan de maatschappij het advies geeft een verzoek niet in te dienen.

De Verzekeringskamer kan, tenzij daartoe bijzonderlijk door Ons gemachtigd, geen verzoek indienen, dan wanneer een door haar aan de maatschappij gegeven advies om zelf een verzoek in te dienen, ingevolge het bepaalde bij de artikelen 24 tot en met 26 door de Verzekeringskamer mag worden gepubliceerd.

De verzoeken of vorderingen, in dit artikel bedoeld, bevatten de feiten en omstandigheden, waarop zij zijn gegrond, en worden met de tot staving daarvan dienende bescheiden ingediend bij de arrondissements-rechtbank van de plaats waar de maatschappij is gevestigd.

1. naar redelijkerwijze te voorzien is, in de toekomst niet aan alle hare verplichtingen zal kunnen voldoen. Of dit geval zich voor-

Sluiten