Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

Artikel 56.

FailHssementSverordening, — voor zoover Suriname betreft — als bedoeld bij artikel 219 van het Surinaamsch Faillissementsbesluit en — voor zoover Curacao betreft — als bedoeld bij artikel 219 van het Curacaosch Faillissementsbesluit, met dien verstande, dat de vorderingen onder 2°. van die artikelen genoemd slechts verhaalbaar zijn op de bijzonderlijk verbonden goederen.

1. lste lid. Het 1ste lid is bijna geheel gelijkluidend aan art. 231 (oud), voorkomende in Titel II. Van Surséance van Betaling, der Faillissementswet. Toegevoegd is alleen de laatste zin van het lste lid. De wijziging, aangebracht in art. 231 Faill. wet bij de wet van 16 Mei 1925, Stbl. no. 191, nl. dat gelegde beslagen niet dadelijk na de uitspraak vervallen, doch eerst nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan, heeft men niet tevens aangebracht in art. 56 dezer wet. Met het lste lid is één van de voornaamste gevolgen van de uitspraak der noodregeling aangegeven nl. tijdelijke ontheffing of opschorting van de verplichting tot betaling. Uitzonderingen op dezen regel zijn genoemd in het 3de lid. Van verzuim of wanpraestatie wegens niet-betaling van schulden tijdens de noodregeling kan dus, behalve indien het een van de in het 3de lid genoemde uitzonderingsgevallen betreft, geen sprake zijn.

Wordt ook de loop van tegen de maatschappij ingestelde rechtsgedingen geschorst? Daar het hier betreft het geval, bedoeld in art. 254, 2°, W. v. B. R., zullen ongetwijfeld de artt. 255 e.v. W. v. B. R. toepasselijk zijn. Het geding zal kunnen worden voortgezet. De executie van het vonnis zal echter, behalve in de uitzonderingsgevallen van het 3de lid van art. 56, niet kunnen geschieden. Ook nieuwe rechtsgedingen zullen tegen de maatschappij kunnen worden aangevangen. Ook van de daarin gewezen vonnissen zal behalve in de genoemde uitzonderingsgevallen geene executie kunnen plaats hebben. Het spreekt echter van zelf, dat de Verzekeringskamer en bij toepassing van art. 61 de daar bedoelde rechter met deze vonnissen bij de verdere afwikkeling der zaken zal hebben rekening te houden.

Kunnen ook tijdens het bestaan der noodregeling betalingen met medewerking der Verzekeringskamer geschieden? Uiteraard moeten voldaan worden de schulden, bedoeld in het 3de lid. Voor haar geldt de opschorting niet. Wat de overige schulden betreft, niet is overgenomen in de wet het voorschrift van art. 234 der Faillissementswet: „De betaling van alle andere (dan de in art. 233 „der Faill.wet genoemde) schulden, bestaande op het oogenblik „waarop de surséance ingaat, kan, zoolang deze duurt, niet anders „plaats hebben, dan aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen." Dat die betaling moet geschieden nadat in de rechtsverhoudingen tusschen maatschappij en schuldêischers krachtens art. 61 wijzigingen zijn gebracht, is duidelijk.

Sluiten