Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

Artikel 56.

Vóór de toepassing van art. 61 zal tegen betaling op opeischbare vorderingen (d.w.z. op vorderingen, die zonder de noodregeling opeischbaar zouden zijn) zeker ook geen bezwaar kunnen bestaan, als geene dan opeischbare schulden bestaan, op alle een zelfde percentage wordt betaald en rekening wordt gehouden met de vorderingen, bedoeld in het 3de lid van art. 56, en met de administratiekosten. Bij de tegenovergestelde opvatting, zouden in dat geval niet telkens, naar gelang de realisatie van het actief voortschrijdt, betalingen kunnen plaats hebben en zou steeds met uitdeelingen gewacht moeten worden totdat de toestand voldoende overzichtelijk is geworden om toepassing van art. 61 van den rechter te vragen. Anders staat echter de zaak bij het bestaan naast de opeischbare vorderingen van niet opeischbare en van dezulke, waarvan het bedrag in geld niet vaststaat. Dan zal het in de meeste gevallen voorzichtiger zijn tot de toepassing van art. 61 met het doen van uitdeelingen aan houders van opeischbare vorderingen (van vorderingen, die zonder de noodregeling opeischbaar zouden zijn) te wachten ten einde niet de kans te loopen, dat men op de vereischte paritas creditorum inbreuk maakt.

2. 2de lid. Het hier bedoelde 2de lid van art. 47 W. v. K. houdt in: „Indien het verlies vijf en zeventig ten honderd loopt, „is de vennootschap van regtswege ontbonden en zijn de bestuurders persoonlijk en hoofdelijk voor het geheel jegens derden „verantwoordelijk voor alle verbintenissen, welke zij, nadat het „bestaan van die vermindering aan hen bekend was of moest „bekend zijn, hebben aangegaan".

Onder verlies van 75 % moest hier worden verstaan 75 % van het geplaatste kapitaal, niet ook van het ongeplaatste. Indien dus de beschikking van den rechter, waarbij de noodregeling over de maatschappij is uitgesproken, in kracht van gewijsde is gegaan, moet, ook indien vóór de uitspraak meer dan 75 % van het kapitaal is verloren gegaan, niettemin de maatschappij geacht worden niet krachtens art. 47, 2de lid, W. v. K. ontbonden te zijn, en zijn dus ook de bestuurders niet volgens dat artikel aansprakelijk voor de verbintenissen der maatschappij, welke zij, nadat het bestaan van het bedoelde verlies aan hun bekend was of moest zijn, hebben aangegaan. Het genoemde artikel is dus wel van toepassing in het gestelde geval, zoolang de noodregeling nog niet over de maatschappij is uitgesproken.

Het voorschrift van art. 47, 2de lid, W. v. K., dat in het algemeen geene goedkeuring vindt, is niet overgenomen in het aanhangige wetsontwerp op de naamlooze vennootschappen.

3. 3de lid. Hier worden eenige schulden genoemd, ten aanzien waarvan het voorschrift over opschorting der betaling niet geldt. Het zijn 1°. de schulden, voortvloeiende uit handelingen,- met de

Sluiten