Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

Artikel 56—57.

maatschappij na de uitspraak verricht, bedoeld in art. 66. Zij worden bevoorrecht verklaard op alle roerende en onroerende goederen, welk voorrecht in rang onmiddellijk volgt op dat, hetwelk is toegekend aan de begrafeniskosten (art. 1195, 2°., B. W.), 2°. die, genoemd in art. 233 der Faillissementswet (en in de overeenkomstige artikelen der koloniale verordeningen). Door de toepasselijkverklaring van deze artikelen worden feitelijk enkele vorderingen, die niet preferent zijn (rijksbelastingen als de registratie-, de dividend- en tantième- en de zegelbelasting, de gemeentebelastingen, premiën, verschuldigd ingevolge eenige wettelijk voorgeschreven verzekering (art. 233, 7°, der Faillissementswet)), algemeen preferent verklaard. Bij surséance van betaling, die slechts mag worden uitgesproken als aannemelijk wordt gemaakt, dat vooruitzicht bestaat, dat de schuldenaar na verloop van eenigen tijd aan al zijne verplichtingen zal kunnen voldoen, mag de niettoepasselijkverklaring van het voorschrift betreffende de opschorting van betaling op niet-preferente belastingen in vele gevallen geene practische beteekenis hebben, bij noodregelingen, waarbij het genoemde vooruitzicht niet behoeft te bestaan, integendeel juist moet worden aangetoond, dat de maatschappij in de toekomst niet aan hare verplichtingen zal kunnen voldoen, en in de meeste gevallen concurrente crediteuren niet ten volle zullen worden voldaan, is dit zeker wel het geval en werkt zij als de toekenning van een voorrang aan die belastingen.

Betreft het vorderingen, die gedekt zijn door hypotheek of pand of bevoorrecht zijn op bepaalde goederen, dan werkt de surséance niet voorzoover verhaal mogelijk is op de bijzonderlijk verbonden goederen. Voor het deel der vordering, dat niet op die goederen kan worden verhaald, werkt de surséance weer wel (slot van het artikel). Zie overigens de aant. op art. 61.

Artikel 57.

In- of uitschulden der maatschappij, door een schuldeischer of schuldenaar der maatschappij overgenomen na de uitspraak, waarbij het verzoek werd toegewezen, of op een tijdstip dat hij wist, dat een verzoek was ingediend of ingediend zou worden, kunnen door hem niet in vergelijking worden gebracht zoolang de verklaring bedoeld bij artikel 40 van kracht Is, alsmede gedurende het faillissement der maatschappij, indien die verklaring door faillissement ophoudt van kracht te zijn ingevolge artikel 64, tweede lid.

De schuldenaar der maatschappij, die zijne schuld wil vergelijken met eene schuldvordering aan order of toonder, is gehouden te bewijzen, dat hij reeds op het oogenblik der uitspraak, waarbij het verzoek werd toegewezen, te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier.

Sluiten