Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

157

Artikel 60.

ook als de verhouding niet is te beschouwen als eene uit arbeidsovereenkomst, bestaat er voor het stellen van die grens geene aanleiding.

Het spreekt wel van zelf, dat als de schade aan de maatschappij is berokkend doordat de bestuurder of commissaris eene onrechtmatige daad b.v. een strafbaar feit heeft gepleegd, van eene beperking der verplichting tot vergoeding tot hetgeen door hem als zoodanig (dus rechtmatig) van de maatschappij genoten is, in het geheel geen sprake kan zijn. Op den vergoedingsplicht jegens de maatschappij wegens het plegen van onrechtmatige daden door bestuurders of commissarissen heeft het lste lid van art. 60 kennelijk niet betrekking. Ook het onderwerp van den vergoedingsplicht jegens derden, aandeelhouders, schuldeischers of anderen, laat art. 60 onaangeroerd.

Het 2de lid behandelt het geval, dat, onverschillig of de slechte toestand der maatschappij te wijten is aan een bestuurder of commissaris, terwijl er in werkelijkheid geen winst was, toch winstuitkeeringen zijn gedaan aan bestuurders en commissarissen. Deze uitkeeringen kunnen dan van hen teruggevorderd wórden. De wet doet dit blijkbaar steunen op eene veronderstelde schuld van bestuurders en commissarissen niet aan den slechten toestand der maatschappij in het algemeen, maar aan het uitputten van de maatschappij door het doen van winstuitkeeringen aan hen zelve terwijl er geen winst was. Ook van het 2de lid van art. 60 zal het practische effect niet groot zijn. Wel eischt het niet eenig bewijs van schuld van de zijde van bestuurders en commissarissen en zal in vele gevallen wel aangetoond kunnen worden, dat er in de laatste jaren in werkelijkheid geen winst was, doch meestal zullen, zoo al in de latere jaren dividenden en tantièmes zijn uitgekeerd, deze blijken van zoo weinig beteekenis te zijn geweest, dat de terugstorting daarvan, voorzoover ze door bestuurders en commissarissen zijn genoten, den finantiëelen toestand der maatschappij niet noemenswaard kunnen verbeteren. Op door de bestuurders of commissarissen genoten salarissen, provisiën of presentiegelden heeft de bepaling natuurlijk geene betrekking, omdat deze niet behooren te worden bestreden uit de winst.

Zoowel in het geval van het lste als van het 2de lid van art. 60 is het de Verzekeringskamer, die de vordering behoort in te stellen. In het lste lid wordt uitdrukkelijk gezegd, dat zij dan optreedt „namens de maatschappij"; in het 2de lid zijn die woorden niet herhaald, doch aangenomen moet worden, dat hetzelfde voor dat geval geldt.

De vorderingen van het lste en 2de lid behooren ingesteld te worden bij de arrondissements-rechtbank, en wel bij de rechtbank, bedoeld in art. 40, laatste lid, die de uitspraak betreffende

Sluiten