Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159

Artikel 61.

ting van betaling zonder de mogelijkheid van saneeringsmaatregelen voor levensverzekeringmaatschappijen niet van nut zijn. De gewone surséance van betaling heeft beteekenis voor natuurlijke of rechtspersonen, die in een toestand kunnen komen, dat zij niet hunne opeischbare schulden kunnen betalen, doch dit waarschijnlijk wel in de toekomst zullen kunnen doen. Zulk een toestand doet zich bij eene levensverzekeringmaatschappij slechts hoogst zelden voor, daar bij haar de opeischbare schulden bijna altijd een gering deel uitmaken van het totale bedrag der schulden. Indien eene levensverzekeringmaatschappij niet in staat is of zich met het oog op haren finantiëelen toestand niet verantwoord acht om hare opeischbare schulden voor 100 % te betalen, zoude eene opschorting van betaling zonder meer haar niet helpen, omdat vertrouwen een levensvoorwaarde is voor levensverzekeringmaatschappijen en eene uitspraak van surséance van betaling dit vertrouwen zou wegnemen. Surséance van betaling voor eene levensverzekeringmaatschappij zou ten gevolge hebben, dat verzekerden zoo mogelijk hunne verzekeringen zouden afkoopen of die in den steek zouden laten en naar andere maatschappijen zouden overgehaald worden, welk een en ander een dadelijk verlies voor de verzekerden zou beteekenen. Hoewel dus theoretisch de uitspraak van surséance van betaling voor eene levensverzekeringmaatschappij niet is uitgesloten, zal practisch wel nimmer reden zijn voor zulk een uitspraak. De opschorting van betaling van Hoofdstuk IV is ook voor een ander geval bedoeld nl. dat redelijkerwijze te voorzien is, dat eene maatschappij in de toekomst niet aan hare verplichtingen kan voldoen. In zulk een geval zal bijna altijd het nemen van saneeringsmaatregelen noodzakelijk zijn Art. 61 opent daartoe de gelegenheid.

Zie overigens over de noodregeling en de buitenlandsche wetgeving dienaangaande de Inleiding § 3.

2. met uitzondering van de houders van vorderingen als bedoeld bij artikel 56, derde lid.

Hieronder zijn in de lste plaats begrepen de vorderingen, voortvloeiende uit handelingen, na de uitspraak door de maatschappij verricht. De hier bedoelde zgn. boedelschulden moeten natuurlijk in elk geval integraal betaald worden. Zij spruiten immers voort uit handelingen, door de maatschappij verricht met machtiging van de Verzekeringskamer. In de 2de plaats zijn hieronder begrepen de vorderingen, bedoeld in art. 233 FaiH.wet (en in de overeenkomstige artikelen der koloniale verordeningen). Opmerking verdient, dat daaronder ook vallen die belastingen, die niet preferent zijn bv. de registratie- de dividend- en tantième-belasting en de zegelbelasting en de gemeentebelastingen. Ook retributiën zijn onder belastingen te begrijpen. Aan alle belastingen is hiermede dus eene

Sluiten