Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160

Artikel 61.

preferentie verleend. Ook is hiermede (art. 233, 4°.) een algemeen voorrecht gegeven aan vóór de uitspraak der noodregeling verschenen termijnen van huren en pachten, die anders slechts preferent zijn op bepaalde goederen. Beteekent het feit, dat huren en pachten genoemd zijn in het in art. 56, 3de lid, aangehaalde art. 233 FaiH.wet, nu ook, dat door den rechter krachtens art. 61 der wet geene wijzigingen gebracht kunnen worden in huurovereenkomsten? M.i. niet. Immers wordt aangenomen, dat de in de Faillissementswet geregelde surséance van betaling niet werkt voor termijnen van huren en pachten en loon van arbeiders, die verschijnen na de verleening der surséance1), op grond van het voorschrift van art. 234, luidende: „De betaling van alle andere „schulden, bestaande op het oogenblik, waarop de surséance „ingaat, kan, zoolang deze duurt, niet anders plaats hebben, dan „aan alle schuldeischers gezamenlijk, in evenredigheid hunner vorderingen", uit welk voorschrift in verband met art. 231 FaiH.wet is af te leiden, dat de surséance niet werkt voor termijnen, verschenen na de verleening daarvan. Daaruit volgt, dat de uitzonderingen, in art. 233 FaiH.wet gemaakt ten aanzien van huren en pachten en loon van arbeiders, niet betrekking hebben op na de verleening der surséance verschenen termijnen, omdat reeds op grond van het voorschrift van art. 234 FaiH.wet de surséance niet voor die termijnen geldt. De uitzondering van art. 61 der wet heeft dus ook niet betrekking op die termijnen. Huurovereenkomsten kunnen dus krachtens art. 61 voor na de uitspraak der noodregeling verschenen termijnen, voorzoover deze niet vallen onder art. 233, 2°, Faillissementswet, door den rechter gewijzigd worden. Hetzelfde geldt van arbeidsovereenkomsten voor termijnen, verschenen na bedoeld tijdstip. Voor dit laatste zal wel nimmer aanleiding bestaan, daar de wet immers reeds in de artt. 51 en 58 de bevoegdheid geeft om bestuurders en commissarissen en personen in dienst der maatschappij met inachtneming van een termijn van 6 weken te ontslaan.

Overeenkomsten met geneeskundigen aangaande keuring van verzekerden zijn in den regel niet als arbeidsovereenkomsten te beschouwen en vallen dus in het geheel niet onder de uitzondering, bedoeld in den aanvang van art. 61.

Hoewel in het artikel wordt verwezen naar art. 56, 3de lid, en daar genoemd worden de vorderingen, als bedoeld bij art. 233 Faillissementswet, waaronder vallen de vorderingen, gedekt door hypotheek of pand of bevoorrecht op bepaalde goederen, moet in verband met het slot van art. 56, 3de lid, aangenomen worden, dat

!) Zie Molengraaff, De Faillissementswet verklaard, 2de dr. blz. 669.

Sluiten