Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

175

Artikel 68.

nngskamer af te geven verklaringen, genoemd in de artt. 18 2de lid en 19 (welk laatste artikel betrekking heeft op buitenlandsche maatschappijen). Ingevolge de artt. 78—81 hebben die verklaringen niet noodig binnen- en buitenlandsche rechtspersonen en hier te lande gevestigde natuurlijke personen gedurende 2 jaren (welke termijn van 2 jaren door de Verzekeringskamer met ten hoogste 3 jaren kan worden verlengd) na het inwerkingtreden der wet (op 15 November 1923) en binnen- en buitenlandsche rechtspersonen en hier te lande gevestigde natuurlijke personen zelfs na dien termijn zoolang zij niets anders doen dan de loopende overeenkomsten afwikkelen (natuurlijke personen kunnen na dien termijn de verklaring van art. 18 in het geheel niet meer verkrijgenwel kunnen zij vóór afloop van dien termijn de overeenkomsten van levensverzekering met goedkeuring van de Verzekeringskamer overdragen aan eene bestaande maatschappij of aan een nieuw op te richten naamlooze vennootschap of onderlinge maatschappij, aan welke rechtspersonen dan geen bijzondere kapitaalseisch gesteld kan worden). 6

Uitoefening van het l.v.-bedrijf ook terwijl men in het bezit is van de verklaring van art. 18 of 19 waarborgt echter niet, dat men met strafbaar is. Immers is het mogelijk, dat men in strijd met art 9 een nevenbedrijf gaat uitoefenen (zie daaromtrent de toelichting op art. 9) of bv. eene onderlinge maatschappij in strijd met de voorwaarden, gesteldI bij een alg. maatregel van bestuur, als bedoeld bij art. 15, 2de hd, het waarborgkapitaal terugbetaalt of aan aandeelhouders vrijstelling verleent van de verplichting tot bijstorting (zulke voorwaarden zijn totnutoe nog niet vastgesteld). Ook kan het zijn, dat eene buitenlandsche maatschappij, die in het bezit is van de verklaring van art. 19, strafbaar wordt door niet-inachtnemmS ™n^ voorschriften van net '"gevolge art. 29 der wet vastgestelde K. B. van 29 Januari 1924, Stbl. no. 24

3. 2de lid Hieruit blijkt, dat de verplichting tot het nakomen van de voorschriften, bepaald bij of krachtens de in het lste lid genoemde artikelen, bij de hier genoemde lechtspersonen gelegd is op de bestuurders en commissarissen. Waar de hier bedoelde teiten bij art. 76 gestempeld zijn tot overtredingen, is van toepassing art. 51 van het Wetboek van Strafrecht, luidendew Lg£ !f" Waa^in weSens overtreding straf wordt bepaald

''St ^Ti' -f60 T Cenig bestuur' of commissarissen, „wordt geene straf uitgesproken tegen den bestuurder of commissaris van wien blijkt dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd Er zal dus slechts het bewijs behoeven geleverd worden

X he;,et;ak°men der in het lste ,id genoemde voorschri ten Al e bestuurders en commissarissen zijn dan strafbaar, tenzij he bewijs geleverd wordt, dat de feiten buiten toedoen van een

Sluiten