Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

Artikel 79.

levensverzekering te sluiten hetzij alleen door loopende overeenkomsten af te wikkelen, en onverschillig of zij daarnaast een ander bedrijf uitoefenen, worden zij niettemin aangemerkt als verzekeraar in den zin van de artikelen 22 tot en met 28,31, 32 en 34 tot en met 39. Het bepaalde bij artikel 9, tweede lid, wordt te hunnen aanzien van overeenkomstige toepassing na verloop van twee jaren van af het oogenblik van het in werking treden dezer wet, tenzij hun levensverzekeringbedrijf Is beperkt tot het afwikkelen van loopende overeenkomsten. *

De Verzekeringskamer is bevoegd den termijn van twee jaren met ten hoogste drie jaren te verlengen.

Onder dit artikel vallen dus o.m. vereenigingen, die de Koninklijke goedkeuring ingevolge de wet van 22 April 1855, Stbl. no. 32, verkregen hebben, vereenigingen, opgericht vóór het totstandkomen van die wet, welke rechtspersoonlijkheid hebben krachtens de artt.

1690 1702 B. W., coöperatieve vereenigingen en stichtingen, niet

zijnde vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen, welke niet rechtspersoonlijkheid bezitten en dus, indien zij het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, moeten geacht worden dit te doen als natuurlijke personen. De hier bedoelde rechtspersonen mogen zonder in het bezit te zijn van eenig maatschappelijk of waarborgkapitaal, zonder in het bezit te zijn van de verklaring van art. 18 en ook, terwijl zij uitoefenen nevenbedrijven, gedurende

2 jaren na 15 November 1923 (welke termijn krachtens het 3de lid door de Verzekeringskamer met 3 jaren verlengd kan worden) met de uitoefening van het l.v.-bedrijf doorgaan en ook daarna de bestaande overeenkomsten van levensverzekering afwikkelen, indien zij het l.v.-bedrijf uitoefenden op 15 November 1923. Bedoelde rechtspersonen mogen na 15 November 1925 (of, bij verlenging van den termijn, na den door de Verzekeringskamer bepaalden datum) nieuwe overeenkomsten van levensverzekering sluiten, indien zij te voren verkregen hebben de verklaring van art. 18, welke eerst aan hen kan worden verstrekt nadat zij hebben overgelegd stukken, waaruit blijkt, dat zij als rechtspersonen zijn aan te merken, en stukken houdende opgave van bestuurders en commissarissen, en indien zij alsdan geene nevenbedrijven meer uitoefenen (dit laatste volgt uit de 2de zinsnede van het 2de lid van art. 79). In het O. O. was aan andere rechtspersonen dan naamlooze vennootschappen en onderlinge maatschappijen niet toegestaan meer dan

3 jaren na het inwerkingtreden der wet voort te gaan met het sluiten van nieuwe overeenkomsten. Zij moesten dus worden omgezet in eene naaml. venootschap of onderl. maatschappij. Die regeling hing samen met het stellen van kapitaalseischen ook aan bestaande ondernemingen, daar men meende, dat het stellen van regelen met betrekking tot de hoegrootheid van het kapitaal ten

Sluiten