Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

186

Artikel 80.

naar aanleiding van eene desbetreffende opmerking in het V. V. (bij art. 79): „Het is niet noodig ten aanzien van eene in het buitenband gevestigde onderneming het voorbehoud te maken, dat zij „hier te lande het bedrijf uitoefent. Immers art. 7 (art. 2 oud) „beheerscht de geheele wet". Overigens blijkt die bedoeling ook reeds uit de in de 2de zinsnede van art. 80, lid 1, voorkomende woorden „met de uitoefening van hun bedrijf voortgaan". Daaronder is toch moeilijk iets anders te verstaan dan „met de uitoefening van hun bedrijf hier te lande voortgaan".

Buitenlandsche ondernemingen, die éénmaal, op 15 November 1923, hier te lande het l.v.bedrijf uitoefenden, hebben nimmer te voldoen aan bepaalde kapitaalseischen. Ook behoeven zij gedurende 2 jaren na 15 Novemer 1923 (behoudens verlenging van den termijn door de Verzekeringskamer) en ook daarna, als zij zich dan tot afwikkeling der bestaande overeenkomsten bepalen, niet hier te lande een vertegenwoordiger als bedoeld in art. 20 te hebben. Zelfs kunnen zij, zoolang zij niet in het bezit zijn van de verklaring van art. 18, niet een vertegenwoordiger hier te lande, als bedoeld in art. 20, hebben. Dit volgt duidelijk uit het feit, dat in het 2de lid van art. 80 niet is aangehaald art. 20. In den zin van art. 20 zijn zij dan immers niet als „verzekeraar" aan te merken. Onverschillig, of buitenlandsche ondernemingen hier te lande op 15 November 1923 het l.v.bedrijf uitoefenden en of zij in het bezit zijn van de verklaring van art. 18, mogen zij hier te lande of elders nevenbedrijven uitoefenen. Dit volgt uit het feit, dat in het lste lid van art. 19 niet voorkomt de eisch van art. 17, sub 5°.

Wel behooren buitenlandsche ondernemingen, die op 15 November 1923 hier te lande het l.v. bedrijf uitoefenden, ook indien zij zich beperken tot afwikkeling dér loopende overeenkomsten, krachtens het ingevolge art. 29 der wet (welk artikel wordt genoemd aan het slot van het 2de lid van art. 80) in het leven geroepen K. B. van 29 Januari 1924, Stbl. no. 24, waarden tot dekking der premieresetrve hier te lande aanwezig te hebben, (art. 2 van dat K. B.). Volgens art. 15 van dat K. B. bestaat de verplichting tot deponeering van waarden hier te lande echter niet, indien bedoelde buitenl. ondernemingen, die zich beperken tot afwikkeling der loopende overeenkomsten, binnen 3 maanden na het inwerkingtreden van genoemd K. B. aan de Verzekeringskamer schriftelijk hebben kennis gegeven, dat zij zich tot genoemde afwikkeling beperken.

Ten onrechte is in het 2de lid aangehaald art. 22, dat de verplichting oplegt om het boekjaar te laten loopen van den lsten Januari tot en met den 3lsten December, daar het 2de lid van art. 22 zelf buitenlandsche ondernemingen van die verplichting ontheven had.

Sluiten