Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

189

Artikel 82—83.

voor buitenlandsche ondernemingen), art. 27 de verplichting om jaarlijks staten bij de Verzekeringskamer in te dienen, art. 28 die om jaarlijks een verslag, waarin die staten zijn opgenomen, ter beschikking van aandeelhouders en polishouders te stellen of hun de gelegenheid te geven daarvan inzage of afschrift te nemen.

Volgens het lste lid moest dus voor het eerst in 1926 (de wet is in werking getreden op 15 November 1923) aan de bedoelde verplichtingen worden voldaan. In het 2de lid wordt aan de Verzekeringskamer de gelegenheid gegeven om den termijn te verlengen, wat betreft liquideeren'de ondernemingen zonder beperking en wat betreft ondernemingen, welke nieuwe overeenkomsten sluiten, met een termijn van ten hoogste 2 jaren. Het spreekt van zelf, dat de Verzekeringskamer ook bevoegd is alleen uitstel te verleenen wat betreft de verplichting van art. 28 (om een verslag met de staten te publiceeren), zoodat dan blijft bestaan die van art. 27 (om de staten bij de Verzekeringskamer in te leveren).

Bij art. 7 van het K. B. van 18 Juli 1925, Stbl. no. 335, tot vaststellen van de modellen der staten, bedoeld bij de art. 27 en 28 der wet, is verder aan de Verzekeringskamer de bevoegdheid gegeven om bepaalde levens- en volksverzekeringondernemingen, begrafenisfondsen en spaarkasondernemingen, die alleen loopende overeenkomsten afwikkelen, vrij te stellen van het indienen van bepaalde staten.

Artikel 83.

Alle natuurlijke en rechtspersonen, welke op het oogenblik van het in werking treden dezer wet het levensverzekeringbedrijf uitoefenen, moeten binnen zes maanden na dat tijdstip aan de Verzekeringskamer opgeven den naam en de plaats van vestiging der onderneming, alsmede wie bestuurders en commissarissen zijn, en verdere gegevens en bescheiden over het bedrijf, te omschrijven bij algemeenen maatregel van bestuur, verstrekken.

Hij, die niet voldoet aan de verplichting, opgelegd bij het vorige lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste duizend gulden. Het tweede en het derde lid van artikel 68 zijn te dezen van toepassing. Het strafbare feit wordt als eene overtreding aangemerkt.

Bij dit artikel wordt alleen eene verplichting opgelegd aan natuurlijke en rechtspersonen (binnen- en buitenlandsche), die op het oogenblik van het inwerkingtreden dezer wet (15 November 1923) hier te lande het levensverzekeringbedrijf uitoefenden. In het O.O. was de verplichting beperkt tot het opgeven van den naam en de plaats van vestiging der onderneming en van de

Sluiten