Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

Artikel 89.

1. Eerste zinsnede. In de M. v. T. schreef de Regeering hieromtrent: „Ondernemingen in de koloniën gevestigd, worden in het „wetsontwerp begrepen onder de buitenlandsche maatschappijen. „Het heeft een punt van overweging uitgemaakt, of bij dit ontwerp „niet tevens het koloniale verzekeringswezen zou kunnen worden „geregeld. Daarvan is echter afgezien. Het vraagstuk behoort in „de eerste plaats onder de oogen te worden gezien door de „Koloniale Regeeringen. In elk geval kan de Nederlandsche Verzekeringskamer geen toezicht oefenen op alle ondernemingen, „welke in de koloniën en niet in Nederland werken. Ook zijn de „toestanden op het gebied van levensverzekering in de koloniën in „vele opzichten zoo verschillend van de Nederlandsche, dat ook „daarom eene regeling voor de koloniën in dit ontwerp niet thuis „hoort. Wel wordt hoofdstuk IV van het ontwerp voor de koloniën „verbindend verklaard. Zulks geschiedt, omdat het wenschelijk is, „dat de „bijzondere staat", waarin eene in Nederland gevestigde „maatschappij, op welke dat hoofdstuk wordt toegepast, verkeert, „ook in de koloniën worde erkend. De dusgenaamde levensver„zekeringnoodwet huldigt dit zelfde beginsel".

Het voorschrift heeft dus alleen deze beteekenis, dat indien eene maatschappij, die gevestigd is in het Rijk van Europa, door den Nederlandschen rechter onder de noodregeling van Hoofdstuk IV is gesteld, die regeling ook geldt voor de koloniën. Ook in de koloniën geldt dan dus o.m. voor die maatschappij, dat de uitspraak tengevolge heeft, dat de maatschappij niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van hare verplichtingen (art. 56) en dat in de koloniën moeten worden erkend de rechterlijke beschikkingen, genomen krachtens art. 61, waarbij de verzekeringen zijn gewijzigd en aan andere maatschappijen overgedragen. Niet kunnen, zoolang eene wet of K. B. op het levensverzekeringbedrijf voor de koloniën niet is tot stand gekomen, maatschappijen, die in het Rijk in Europa, in het buitenland of in de koloniën gevestigd zijn, door een kolonialen rechter onder eene noodregeling worden gesteld. Wel kunnen zulke maatschappijen eventueel door dien rechter in staat van faillissement worden verklaard. Zie ook nog het 2de lid van art. 46.

2. Tweede zinsnede. Bij K. B. van 30 Juli 1923, Stbl. no. 386, is bepaald, dat de artt. 8, 32, 72, 76 en 89, lid 2, in werking treden met ingang van 1 September 1923. Bij K. B. van 1 November 1923, Stbl. no. 499, is de datum van inwerkingtreding der wet bepaald op 15 November 1923.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colléges en

Sluiten