Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

221

aanstelling, hetzij door latere buitengewone persoonlijke verhoogingen eene hoogere wedde toe te kennen dan het maximum van de aan het ambt verbonden wedde.

Artikel 4.

Het bepaalde bij de artikelen 1, tweede, derde en zesde lid, 2, 6, tweede, derde en zesde lid, 7, 8, eerste, derde en vierde lid, 9 tot en met 17, '19, eerste en tweede lid, 20, 21, 22, eerste lid, 23, eerste lid, 26 tot en met 30, 31 en 37, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1925 vindt Overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.

Totdat daaromtrent nader zal worden voorzien, wordt, voor zoover en voor zoolang de wedde van eenig ambtenaar ingevolge het bepaalde bij de artikelen 1, 3 en 4 van dit besluit meer zou bedragen dan de wedde, waarop hij volgens Ons besluit van 4 Augustus 1923 (Staatsblad n°. 395), zooals dat is gewijzigd bij Ons besluit van 25 April 1924 (Staatsblad n°. 211), aanspraak zou hebben gehad, die wedde verminderd tot het bedrag, dat hem zou zijn toegekend, indien ten aanzien van de door hem bekleede functie laatstgenoemde besluiten van kracht waren gebleven.

Het bovenstaande is slechts van toepassing op ambtenaren, aan wier functie volgens Ons besluit van 4 Augustus 1923 (Staatsblad n°. 395), zooals dat luidde vóór de daarin bij Ons besluit van 25 April 1924 (Staatsblad n°. 211) aangebrachte wijzigingen, een salaris of maximum-salaris was verbonden hooger dan f6000, met dien verstande, dat Wij Ons het recht voorbehouden in grensgevallen ten gunste van eenig ambtenaar van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Ten aanzien van de wedde van een inspecteur der Verzekeringskamer wordt het bepaalde bij dit artikel toegepast evenals wanneer aan die functie volgens Ons besluit van 4 Augustus 1923 (Staatsblad

n°. 395) eene jaarwedde verbonden ware geweest van f 4000 f 6600

met 13 jaarlijksche verhoogingen van f200.

Sluiten