Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, mede namens Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en Landbouw en van Koloniën, van 11 Juli 1925, le Afdeeling C, n°. 968;

Overwegende, dat het noodig is vast te stellen de modellen der door de ondernemingen van levensverzekering in te vullen staten;

Gelet op de artikelen 27, 28, 84 en 86 der Wet op het Levensverzekeringbedrijf 1922, Staatsblad n°. 716;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: Artikel ï.

Onder „onderneming" wordt in de volgende artikelen verstaan de natuurlijke of rechtspersoon, op wie rusten de verplichtingen, bedoeld in de artt. 27 en 28 der wet op het levensverzekeringbedrijf 1922, Stbl. n°. 716.

Artikel 2.

1. Van de staten, bedoeld in de artt. 27 en 28 der genoemde wet, worden hierbij (zie Bijlagen I t/m V) de volgende modellen vastgesteld:

a. voor levens- en volksverzekeringondernemingen en begrafenisfondsen: L 1 tot en met 17;

b. voor spaarkasondernemingen: S 1 tot en met 16;

c. voor kleine plaatselijke begrafenisfondsen: B 1 tot en met 8;

d. voor omslagfondsen: O 1 tot en met 7;

e. voor buitenlandsche ondernemingen: K.

2. De ondernemingen dienen de staten in bij de Verzekeringskamer op de formulieren, welke door haar op aanvrage tegen door haar vast te stellen prijs ter beschikking van de ondernemingen gesteld worden. Bij de opneming van de staten in het jaarverslag zijn de ondernemingen niet aan de afmetingen dier formulieren gebonden.

Artikel 3.

1. Voor binnenlandsche ondernemingen gelden, naar gelang van den aard der onderneming, de staten, L, S, of O, tenzij op verzoek van eene onderneming door de Verzekeringskamer is bepaald, dat voor die onderneming gelden de staten B.

2. Ingeval van twijfel tot welke van de in artikel 2 lid 1, a, b, c en d genoemde categorieën eene onderneming behoort, beslist de Verzekeringskamer.

Sluiten