Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDENDE CORRESPONDENTIE

15

woond? Is 't niet 200? Heb ik 'tniet geraden? Maar dan kan ik 't onmogelijk geweest zijn, want ik heb mijn Grootmama nooit gekend. Dan moet 't een van mijn veel oudere zusters wezen, aan wie die naam mogelijk ook wel eens gegeven werd. Nu ben ik toch erg verlangend te weten, of ik het niet geraden heb.

O, het is waar, dat ik zoo héél graag aan U schrijf. Ik zeg U maar, dat dit een heel lange brief worden zal, want ik heb U zóó veel te zeggen...

Waarom vertel ik U dit alles toch, wat nu zal volgen? Het is zoo'n vreemde drang in me: U alles van mezelve te doen weten, om U de eenige te laten zijn, die gansch mijn geestesleven tot in zijn fijnst bewegen kennen zal. Want er is memand, die mij volkomen kent, zelfs niet mijn meest intiemen. Ik heb mij altijd teruggehouden van alles en iedereen. En de reden daarvan durf ik U wel zeggen, omdat U niet gelooven zal, dat het ijdelheid is: Van het eerste oogenblik af, dat ik een ikheid in mijzelf ontdekte, wist ik, dat ik iets bizonders was, d.w.z. niet gelijk aan alle anderen.

En dat besef is al sterker en sterker geworden, zoodat ik mij afscheidde van 't mij omgevende, en een dubbel leven leiden ging: een in de wereld, waar veinzen deugd is, - en waar ik vriendelijk ben en praat en lach, - maar waar alles ónberoerend langs mij gaat... het andere in mijn eigen schoon droomenland, waar alles mij tot een geluksaandoening beweegt... Ik heb er altijd van gehouden, mijn leven met fantasieën te vermooien, en o, zoolang ik me herinneren kan, heb ik dat altijd gedaan. Ik moet hier even zeggen, dat ik misschien dikwijls Uw eigen uitdrukkingen gebruik, maar o, bij al, waaraan ik denk, bij al wat ik doe komen me versregels of gezegden van U in de gedachten, en ik heb groote moeite, om ze niet uit te spreken... En soms denk ik zelfs wel eens, dat het een woordvondst van mijzelf is, verbeeld U!

Ik geloof, dat ik een erg „wijs" kind ben geweest. Als ik terugdenk aan dien tijd zie ik me bij anderen wel dikwijls spelend en stoeiend met mijn broertje als een vroolijk en gelukkig wezentje, verwend door ouders, broers en zusters... maar heel-afieen: altijd als droomend en dwepend kind, dat zich verborg in haar vaders studeerkamer, en las, las, las... Mijn eerste „verzen" maakte ik op mijn twaalfde jaar; ik verstopte papier en potlood onder mijn kussen en sloop weer uit bed, heel stil, dat de juffrouw die in onze speelkamer zat, het niet hooren zou, om bij het nachtlicht te gaan

Sluiten