Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

LIEFDESBRIEVEN

je mij toch niet gebracht en gelaten hebben, als je voor de heele toekomst niet bij mij wou zijn, als je niet wou worden mijn ander ik, als je mij niet bi] je wou hebben, door al de mooie dagen, die komen, om te zijn je gedurige behoeder en vertrooster, om te zijn je vreugdegever zonder maat. Want dat kan ik zijn en dat zal ik zijn: verdriet zal je niet meer kennen, de zorg zal je iets zonderlings zijn, en niets zal je meer weten en niets zal je meer voelen dan nu eens stille, en plotseling weer wilde, maar altijd heerlijke, lichtende vreugd. O, wat is het goddelijk, verrukkend, overweldigend, dat je eindelijk gekomen bent in mijn leven! Ja, ik heb mijn heele leven op jou gewacht! Ik wist niet, hoe je heette, hoe je er uitzag, wie je was! Maar je moest toch ergens wezen, dat wist ik en dat voelde ik. Want anders was het leven een bange droom. Maar nü wordt het licht in mijn ziel en in de wereld, nu ik weet, dat je naast mij wil staan en leven, nu ik weet, dat ik nooit meer van je af zal gaan, nu ik je nooit zal hooren zeggen: „Ga weg, ik heb geschertst!" Jij bent het, en anders niemand, - en jij zal worden, - o, heerlijk, dat je mij toestaat, het hier voor je te zweren, - mijn zachte, mijn sterke, mijn gelukkige vrouw...! Want ik zal het geluk over je uitstorten, of je waart in het paradijs!

O, samen met je te wezen, heel alleen, in een diep, groen woud, en mij dan door jou te laten slepen over den grond, ik uitwendig machteloos, maar inwendig vol heerlijke, trotsche en gloeiende en alleen voor jou bedwongene kracht. Zeg, wou je dat? Of neen, zeg het niet, want ik weet wel, dat je 't wil; neem me alleen maar, en kus me, en kus me, tot ik er, als stervend, onder bezwijk, ik, jouw sterke, teedere man, die als een stuk speelgoed in jouw handjes wil zijn, kus me, kus me, totdat ik roep: Genade, genade, je doodt me met geluk!

O, je dan zacht in eikaars armen te laten vallen, en zacht te blijven liggen en te droomen zonder eind, terwijl de bladeren stil ruischen nu en dan, en het heerlijk warm en geurig is, en niets anders te voelen als je adem, die warm langs mijn wangen gaat...

O, nu kan ik niet doorgaan, want jurfr. Linn, de dochter des huizes begint weer beneden op de piano te spelen. Vanavond waarschijnlijk, of anders morgenochtend zal ik je weer schrijven. Dien krijg je dan Dinsdag. En meld ook even de beginregels van die twee eerste sonnetten: een begint, geloof ik:

Sluiten