Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE PERIODE

55

zijn ze nog. O, ze zijn in één woord magnifiek, en ik dank je nog eens, héél hartelijk, Lief, voor die allerliefste attentie.

Vanmorgen kreeg ik je brief, o, Willem, Willem, wat een genot is 't voor me, als je zóó over de kennismaking schrijft. Mama was ook zóó blij, je te nebben leeren kennen; je hebt zoo'n echt-prettigen indruk op allen gemaakt, zóó, dat ze niets vreemd met je waren, begrijp je? Je moet veel hartelijke groeten hebben van Mama en ook van mijn zusters.

Ik ben in zoo'n vroolijke stemming vandaag, - ik weet niet, ik geloof: je bloemen bedwelmen me een beetje.

Ik moet je even wat vertellen over de portret-kwestie. Ik kreeg eerst een smeekschrift van den uitgever, dat ik aan den redacteur beantwoordde, en toen, schrik niet, - een formeelen dreigbrief, door beide heeren onderteekend, waarin „de diepe wanhoop hen gedwongen had", woorden te plaatsen als: unfair, unladylike, woordbreuk en dergelijke. En nu heb ik daarop een antwoord samengesteld, neen, je zou schateren als je 't las, zoo kranig. Hier thuis waren ze allemaal in extase. Ik begrijp natuurlijk wel, dat ik hen, door 't intrekken van die belofte dupeer, maar zoo'n brief is wel een beetje kras. Je zal zeggen, waarom ik hem jou niet stuurde, zooals we afgesproken hadden, maar dat kon niet, omdat ik er dadelijk op moest antwoorden. Zeg, Willem, ben je nu niet gevleid, dat ze zóo gesteld zijn op 't portret van je meisje? Geloof je niet, dat 't een enorme attractie voor 't bladx) zou zijn geweest?! Wat ben ik flauw, hè. O, ja, Willem, zeg eens, ik ben je meisje, maar wat ben jij nu van mij? Verzin daar eens een woord voor, doe je 't?

Ik heb je bejaarde Venus weer gezien, je weet wel, die je een oogenblik berouw deed hebben. Ik had de stumpert zoo graag eventjes blij gemaakt met haar van je bewondering te vertellen, maar ze was op haar fiets, en dus te gauw voorbij. - Ik moet nu heusch gaan afbreken (met de pen, maar niet met het hart... of hoefde ik er dit niet bij te zeggen: was je niet ongerust?) want ik moet nog allerlei brieven schrijven aan familie, - dat doe ik natuurlijk naar één model. En dan komen de: „Wij-hebben-al-tegen-elkaargezegd's" en de „Dat-dacht-ik-al's" los.

Zeg, Willem, je moet me toch vertellen, of je mijn eersten brief

i) Aan het „Letterkundig Maandschrift", redactie F. A. C. Ruysch had de schrijfster een portret beloofd; toen Willem Kloos daar echter bleek tegen te zijn, had ad) die belofte ingetrokken, en stond geen photo ter reproductie af.

Sluiten