Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIEFDESBRIEVEN

O, wat een schat, wat een engelachtig jongetje ben je toch, om zoo'n aardigen brief aan je meisje te schrijven! Ze was moe, moet je weten, want ze had vandaag honderd zesendertig (of neen, want in elk couvertje zitten er twee, dus eigenlijk tweehonderd tweeënzeventig) kaartjes verstuurd, maar die brief heeft haar weer heelemaal opgefleurd. Zie je, dat vind ik nu toch zoo allerliefst en aardig van je, dat je mijn zoete, gehoorzame jongetje wil zijn. (Die woorden zeg je wel met, maar flc begrijp 't toch wel, hoor.) Je zal me nooit plagen, wel? Dan zal ik jou ook nooit plagen, en we zullen altijd prettig spelen met elkaar. O, lief jongetje, als je nu hier was, dan '\ ging ik krijgertje met je spelen, zoo moe als ik ben, o, Wim, zou I dat niet aardig zijn? Én we zouden nooit kibbelen samen, maar altijd lachen en zingen, als echt-ideale kindertjes, die we dan ook

O, Wim, je informeert wel niet naar die verschrikkehjke portretkwestie, maar ik weet toch weL dat je doodelijk ongerust over me bent, en zal je dus maar gauw uit den angst helpen. Dezelfde menschen, die eerst van plan waren „een actie van schadevergoeding" tegen mij bij „de rechtbank" in te dienen, staan nu, na mijn prachtigen brief, chapeaux bas, en kunnen niets anders doen, dan mij geluk wenschen met mijn verloving met den „gevierden dichter W. Kloos". O, Willem, wat jouw naam al niet doet! Eigenlijk vind ik het een beetje jammer, dat die „actie van schadevergoeding" niet is doorgegaan, - dan had ik eens precies geweten, hoeveel ik waard was, en dan had ik je dat heel trotsch verteld, - als 'tvéél r> was namelijk. (Maar dat zou wel). Zeg, Wimpje, klein liefje van me, i ik heb al negen felicitaties gekregen vandaag. De helft is voor jou, dus eigenlijk viereneenhalve felicitatie. Ik bewaar alles natuurlijk, dan kan je alles later lezen. Doe jij 't ook? (Niet vergeten, lief!) Maar nu zal ik je maar direct eens heel blij en gelukkig maken. Een oude generaal (dit „oude" dient ter geruststelling) schrijft aan me, sprekende over jou: „Gelukkige man! Als ik hem persoonlijk kende, ik zou hem heden nog gelukwenschen met het zeldzaam juweeltje, dat hij op zijn levenspad heeft ontmoet." Ben je nu blij, i Wim, en trotsch op je juweelige meisje? Of wist je al, dat ik dat was? Hier kan je toch niet anders dan „ja" op zeggen. Morgen schrijf ik nog meer goeds van mezelf, dat is noodig, weet je, want jongetjes hebben maar kleine geheugentjes en het meisje wil niet vergeten zijn. Dan maak ik er ook eens een spoedbestelling van,

Sluiten