Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IJO

LIEFDESBRIEVEN

ik naar je verlang. O, ik wou zoo graag, dat we altijd bij elkaar waren! Ik had je zoo graag een aardigen, opwekkenden brief willen schrijven, maar ik ben nog te veel onder den indruk, dat je weg bent, en ik weet eigenlijk mets te zeggen, er wil niets uit me komen, dan dat ik je liefheb, ontzettend, onuitsprekelijk liefheb, en dat ik naar je verlang, zonder reserve naar je verlang, als de geloovige naar zijn Godheid, als de aarde in de eerste minuten van de zwakke schemering naar het rijzende zonlicht doet. Jij bent het, jij bent mijn Alles, het Licht van mijn Leven, jij bent de eenige, zonder wie ik niet kan bestaan.

O, als ik er aan denk, hoe je je handen wel eens legde om mijn hoofd en dan zoo zacht dat hoofd tegen je aandrukte, terwijl je dan bang was, dat je mij pijn zou doen! Je bent zoo verschrikkelijk, goddelijk lief!

Ik had je zoo graag een vers willen sturen, maar dat komt morgen hoogstwaarschijnlijk wel, ik voel het al. Nu ben ik veel te geëmotionneerd van alles-door-elkander, van het weten, dat je weg bent, o, zoo ver weg, en daar dan weer door heen het gelukkige besef, dat je iets om mij geeft, en dat ik jouw eigen Willem mag zijn. Ik voel aan mijn oogen, dat, als ik straks in mijn bedje lig, dat er dan tranen uit zullen komen, wel tranen van verdriet, maar toch tegelijkertijd tranen van geluk. Jeanne, ik smeek je, twijfel toch nooit aan me, want ik zweer je, mijn liefde-voor-jou is onvergankelijk en je kunt over mij beschikken, geheel en al. Heusch, Hef, zeg, zal je nooit aan me twijfelen gaan? Ik vraag je dit, omdat je wel eens iets van twijfel tegen me geuit hebt. Doe dat toch nooit meer, dat twijfelen, ik smeek het je, want ik ben heusch een zichzelf kennend en zichzelf tot in zijn diepste diepte doorvoelend man. Als er dus reden-tot-twijfelen aan mijn constantheid was, dan zou ik die weten, want zelf het eerst in mijzelf moeten vinden, en ik zweer je, dat hoe ik mezelf ook onderzoek, hoe ik mijn heele voelen en denken naga en op de subtielste weegschaal weeg, dat ik, zeg ik, in mijzelf niets, absoluut niets kan vinden, dat je twijfel aan mijn standvastigheid ook maar in de verste verte zou rechtvaardigen, flc heb je hef geheel-en-aL ik heb het je, geloof ik, al wel honderdmaal gezegd, maar ik voel toch telkens weer den onweerstaanbaren drang, om het je nogmaals en nogmaals te zeggen, aldoor duidelijker en vaster en verzekerder, terwijl er toch eigenlijk maar dat ééne arme woord voor bestaat, dat, helaas! zoo dikwijls door anderen

Sluiten