Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE PERIODE

161

O, Lief! mijn goede, trouwe, mijn eenige! O, kon ik nu mijn hoofd zacht aan je schouder steunen, en schreien daar van diepe dankbaarheid en van mijn groot gelukt

Willem, eenige-van-wien-ik-houden-kan-en-zal, liefste van-allen, ik heb je hef!

jouw Jeanne

* *

O, Lief! Ik houd van je, zoo diep en onuitsprekehjk-veel, als ik niet had gedacht, dat ik met mijn inwendige koelheid van iemand houden kon! Ik houd van je, omdat je superieur bent aan alle andere mannen, omdat je nobel bent en groot en zonder-terughouciinggoed, omdat je mij vertrouwt, en ook vooral omdat jij zegt, mij Hef te hebben. Ik geef je mijn gedachten, mijn wil, mijn gevoel, ik wil, dat er niets in mijn ziel zal zijn, wat jij niet kent. O, ik zou altijd wel bij je wülen zijn, veilig en trouw-beschermd, - van aües ver, van alles onwetend zelfs, en dan sprakeloos je staren in je oogen, die mij je hefde zeggen, totdat ik weg-zwijm in vreugde. O, Lief, zeg me, geloof je me nu? O, Wülem, Heve Wülem, weetje 't nu, dat ik zonder jou niet meer leven kan, niet meer zou willen leven? Al mijn denken en doen is van jou vervuld, ik weet niets meer, ik wü niets meer wat buiten je is, - en ik ben zalig, dat mijn hooge trots zich breken laat voor jou, voor jou aüeen, en dat mijn fiere ziel voor jou ootmoedig buigt.

O, zeg, zeg me, Lief, heb ik je heusch in niets teleurgesteld? O, ben ik welzoo geweest als ik wezen moest, om je te overtuigen, dat er voor mij op aarde niets belangrijks bestaat dan jij-aüeen, en dat ik mijn leven verachtend weg-werpen zou, als ik niet wist, dat het voor jou een klein beetje waarde had? WÜlem, o, geloof me toch, dat jij me geluk geeft, zoo wonder-mooi en groot, als ik niet had vermoed, dat er met mijn veel-eischende en weinig-apprecieerende natuur bestaan kon voor mij. O, ik weet het nu zoo, ik voel het zoo diep, omdat ik, sedert ik van je weg ben gegaan, zoo rusteloos ben en onverschillig-voor-alles-om-me-heen, en naar je bijzijn verlang als ik nog nooit naar iets heb verlangd.

O, ik dank je zoo Hef voor je mooie en Heve vers, het maakt me zoo innig-dankbaar en diep-gelukkig en bhj. Het was LXXVÜI; ik zeg dit even, omdat je er LXXVII had boven gezet.

Sluiten