Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i66

LIEFDESBRIEVEN

O, lief, 't spijt me 200, dat ik maar aldoor 200 treurig schrijf. Want je zal er wel een beetje bedroefd om zijn, ben ik bang. O, wees niet boos op me, Lief, toe, wees niet boos, ik kan het niet helpen, ik kan het heusch niet helpen, dat ik me 200 2wak en machteloos voel. O, dat is 200 iets raddoos-wanhopigs: niet hedemaal gelukkig te 2ijn en niet te weten waarom, omdat er geen positieve redenen tot ongelukkig zijn bestaan. O, Lief, ik heb het je, gdoof ik, wel eens gezegd, hoe ik dacht, dat er aan het samenstel van mijn ziel een factor ontbrak, waardoor ik nooit, zooals andere menschen, volkómen van iets genieten kan. Begrijp je me, Lief?

O, Willem, maak toch, dat ik diep en vast en zeker weet, wéét, dat ik iets ben in je leven, - o, geef me de overtuiging, de onomstootdijke, onwankelbare overtuiging, dat mijn bestaan een nood2aak is voor het jouwe. Dat 2al me kracht tot leven geven, - ik 2al 't leven liefhebben zelfs, om jouwentwil! Want nu denk ik wd eens, dat, wat jij mijn sterkte noemt, misschien maar ongevoeligheid of zwakheid is, omdat ik diep in me voor mezelf geen steun kan vinden. O, Lief, Lief, jij dacht me wilskrachtig en ferm, en nu blijk ik maar een week en slap wezentje, die jou smeekt om hulp, - is dat niet vreeselijk, vreesehjk? O, zeg me, zeg me, zeg me, ik bid je er om, ik smeek 't je uit 't diepst van mijn 2iel, - dat ik moet leven voor jou, dat mijn bestaan voor jou van waarde isl Dan 2al ik mijn leven mooi gaan zien, dan zal er voor mijn zijn-op-aarde een reden wezen. O, Lief, Eenige, tot wien ik zoo spreken durf, zeg, dat je er niet boos om ben, dat ik zóó met mijn klachten en treurnissen tot je kom. Want, o, ik mis je zoo! Je armen zijn niet meer om me heen, en ik zie je oogen niet, en geen direct-gesproken woord kan nu meer tot me komen. En dit is de oorzaak misschien van mijn bedroefdheid van al deze dagen: ik heb zoo het gevoel, of je weer hed ver weg van me ben, en onze verhouding schijnt me weer zoo oneigenlijk-vreemd, als in het héél-eerste begin. O, als ik je brieven niet had, dan werd ik heelemaal in mezelf gekeerd en stil en droef, en geloofde alles een droom. O, alles wat er met me gebeurd is in den laatsten tijd: het plotseling worden geldd in het lichtste licht van het leven, juist toen ik mijn oogen gesloten had, en dacht, dat het altijd donker zou zijn, - dat heeft mijn kalm, gehjkmatig zenuwgestd zóó in zijn diepste diepte doorschokt, dat ik voel, hoe het nog altijd ongeëquilibreerd is gebleven sindsdien. O, Lief, vergeef me maar; jij bent de Eenige, tot wien ik komen

Sluiten