Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE PERIODE

20I

lieve, goede Lief, Om vier uur kreeg ik den brief, dien je gisteravond geschreven, en vanmorgen per spoedbestelling verzonden hebt. Ik ben blij, dat je nogal opgeruimd schreef over je Amsterdamschen tocht. Gelukkig schreef je me, dat het resultaat van de zaak vrij bevredigend was. Die Coorengel-expeditie naar het station moet comiek zijn geweest; dat zal je met dikwijls overkomen zijn, zoo door engelen te worden begeleid. Nu moet je hierop een fijn en echt-Haagsch complimentje laten volgen, en zeggen: „Toch wel: altijd als ik met jou wandelde", of zoo iets. Of kan je dat niet?

Met de lieve, zelf-verzonnen namen in je brief ben ik erg in mijn schik; ik wou, dat je dat meer voor me deed, want ik vind het zoo aardig en aangenaam.

Ik eindig nu maar; ik had eigenlijk niets bizonders te zeggen, maar 't zou misschien een beetje vreemd voor je zijn, als er morgenochtend geen brief van me voor je was.

O, Lief, ik wou, dat ik rustig werd, en me nooit meer angstig voelde en gejaagd. Ik heb zoo lang gedacht, wat dit toch wezen kon, en nu geloof ik, dat ik het weet. Zie, vroeger was ik vrij, volkomen, - in al mijn willen en handelen vrij, en ik liet me leven, alleen omdat ik de geruststellende zekerheid had, dat ik heen-gaan kon, dat ik heen-gaan mocht, zoodra ik voelde dat te móeten, en mijn wil krachtig genoeg, mijn moed volkomen was geworden. Maar nu heb ik dat vrede- en moed-gevend bewustzijn, waardoor ik alles verdragen kon, niet meer; nu voel ik me, als 't ware, verplicht tot leven, en dat drukt me zoo, dat slaat me zoo neer. Want nu ben ik niet langer vrij-van-wil; ik moet bestaan, ik moet mijn leven dragen, omdat jij me tracht te doen gelooven, dat mijn dood je een leed zou zijn. Maar luister nu, Lief, naar deze mij, door haar nooit tot een uitslag komen, martelende, afschuwelijke tegenstrijdigheid: ik smacht er naar de vrije heerscheresse te zijn over dood en leven, - en toch, als jij zei: „Ga, als je wil, ik zal er geen verdriet van hebben", dan zou ik rampzalig, radeloos, krankzinnig van ellende zijn. Begrijp je dit alles nu, Lief? Ach toe, zeg me, of je er iets van begrijpt. Ik raak zoo dikwijls in mijn eigen gedacnten verward, - ach, toe, Lief, help jij je kleine een beetje?

jouw eigen Jeanne

Sluiten