Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

242

LIEFDESBRIEVEN

O, ik weet zeker, als ik gewoon was geëngageerd, ik bedoel met den eerste den beste, dat ik dan heel kalm en dood-gewoon zou gebleven zijn en dat er eigenlijk innerlijk niets aan me veranderd zou wezen, maar dit plotselinge, nooit-gedroomde, altijd natuurlijk onbereikbaar gedachte heeft mijn geheele zijn overweldigd, en als 't ware een ander mensch van me gemaakt. En nu is 't zoo vreemd, zoo benauwend-vreemd, dat ik je Hefde heelemaal niet als werkelijkheid voeL - ja, je schrijft 't me wel eens, maar dat zijn maar woorden, woorden, - en die dj d in Bussum is al zoo lang geleden, zoo lang, dat was in mijn vorig leven, schijnt 't me toe. En ikzelf voel mijn Hefde voor jou aheen als een brandend verlangen, als een rusteloos, knagend verlangen naar iets, dat me vrede kan geven en steun en troost en bemoediging, dat me opwekt tot heil zien in mijn lot en levenskracht in me giet.

O, Lief, wat ben ik toch een hopeloos-zwak en erbarmelijk-week en overgevoelig wezen! Ach, heb maar medelijden met me en wat geduld!

Weet je wel, dat de laatste acht of negen brieven van je aUemaal even kort en koel waren? Ik zeg dit heelemaal niet, Lief, dat moet je goed begrijpen, opdat je me Heve dingen zeggen zaL die je niet meent, of waartoe je misschien niet in de stemming bent. Bovendien, ik weet, dat je erg gepreoccupeerd ben met je zaken, - ik zeg het alleen om een reden te zoeken voor rnüfi vermoeiende, neerdrukkende melancholie.

Ik schrijf dezen brief bij tusschenpoozen, aldoor wachtende op een brief van jou. Er zijn al drie posten voorbij gegaan. Ik laat mij soms beloven, niet te zuüen huüen, als er geen brief van je komt, maar ik houd die belofte nooit. Er is ook niets dat meer enerveert dan wachten, wachten en dan nog wel vergeefs.

Ik dank je wel voor je mooie en Heve vers, waar ik heek heel bhj mee ben. Je zegt, dat in het volgende lugubere regels voorkomen; ben je ook zoo droevig gestemd? Dan zuüen mijn brieven je wel niet beter maken, arme* Liefl

Het vers op die bloem vind ik magnifiek-mooi, zoo heerhjk prachtig-sterk.

Lief, hoé kom je er nu bij, dat ik jou „oud" zou vinden, omdat ik dat van Koster heb gezegd? Ik wist natuurhjk heelemaal niet, hoe oud hij was, en üc heb hem immers nooit gezien. Ik vond aUeen maar zijn doen tegenover jou en mij zoo typisch-oudeheerachtig-

Sluiten