Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE PERIODE

287

drijft, zonder dat ik precies weet waarom, - ik zweer je, dat onze wegen in de toekomst altijd tezamen zullen gaan, dat je alles van mij kunt verlangen, dat je in alles op mij kunt rekenen, dat ik je altijd en overal pleizier zal doen eindeloos, je helpen zonder ophouden en sterken met mijn heele Zijn; dat ik met je lachen zal en schertsen; ernstig met je en vóór je zijn; dat ik voor je zorgen en je oppassen en bij je waken zal, als je ooit ziek mocht worden; dat ik je zal opbeuren en troosten, als je weemoedig mocht wezen, en dat de goedheid, die ik weet, dat in mij is, in de eerste plaats allemaal voor jou zal zijn. Voel je nu, Liefste, dat ik je liefheb, en dat je me sterkt en me steunt en gelukkig maakt? En dat de beloften, die ik je doe, met de lyrische opwinding van een oogenblik zijn, maar de gewetene overtuiging van een ernstig mensch?

Je zegt, - en ik trilde van geluk, toen ik 't las, - dat je naar mij verlangt, maar je kunt toch met zóó naar mij verlangen, als ik naar jou. Waarachtig! ik overdrijf niet, maar dat voel je, hoop ik wel uit den toon van mijn brieven, - waarachtig, zeg ik, ik smacht naar je, ik smacht er naar, om voor je neer te liggen op mijn knieën, terwijl je op een stoel zit, en dan je eene hand op mijn hoofd te voelen en de andere zacht en innig aan mijn lippen te drukken en te roepen terwijl je oogen naar beneden mij aanzien, waar ik lig: Jeanne jou en jou-alleen heb ik lief, onveranderlijk, onuitbluschbaar, en dat zal zoo blijven zonder vermindering, tot aan het eind van mijn leven, en als er onsterflijkheid is, ook nog in het leven hiernamaals door alle eeuwigheden heen! O, ik wou dat ik voor je neerlag en dat je dan een schoen en een kous uittrok, want die twee dingen ben jij toch eigenlijk niet, en dat je mij dan zachtjes streek met je bloote voetje langs mijn wangen en mijn voorhoofd en mijn oogen en mijn neus en mijn mond, als met een innige hefkoozing, en dat je daardoor in jezelf het gevoel kreeg dat je bent mijn rechtmatige vorstin. Want je bént mijn vorstin en ik ben, o, zoo gelukkig dat ik nu nmn vorstin toch eindelijk gevonden heb, die niet enkel'mijn vorstin is door haar oogen of haar mond of haar haren of iets anders hchamehjks, ofschoon zij toch daardoor ook mijn vorstin is maar een vorstin, die voor altijd mijn vorstin is, ook door haar ziel. Want je ziel heb ik hef, onuitsprekehjk-innig, maar omdat ik hef heb je prachtige ziek daarom, Jeanne, heb ik ook je heve lichaam hef. Je weet wel, Jeanne, hef, toen je een middag bij mij op de kamer zat, en ik mijn zachte hand, langs je open hals heen, op je rug durfde

Sluiten