Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

328

LIEFDESBRIEVEN

je wel meer gezegd, dat ik niet in staat ben, geluk te geven, - en dat komt, omdat ik niets, niets geen geluk heb in mijzelf, - en alles wat ik ooit hebben zal van een ander krijgen moet. Ik weet het, ik vóel, zeg ik je, dat ik eenmaal worden kan, al wat je wenscht, — maar, o, Lief, lief, ik bid je, ik smeek je, laat me dan ook nóóit aheen, laat me niet over aan mijn lot! Ik heb een heftige, zelfzuchtige, eigenhjk onprettige natuur, maar ik geloof, Lief, neen, ik wéét, dat het geven en ontvangen van een groote hefde me beter, mooier, hever maken zalf - o, Lief, ik smeek je, ik bid je dringend: help me, help me, om gelukkiger te worden, en daardoor aangenamer voor jou!

Als je nu hier was, Lief, en je zei, wat ik wel geloof, dat je zou willen zeggen, en je zag me ernstig en bedroefd aan, terwijl je 't zei: „Kind, waarom kwel je jezelf toch voortdurend met dien ehendigen twijfel?" dan zou ik je besweren, dat ik 't niet helpen kan, dat 't in mijn gestel ligt, of in mijn temperament, en dat ik er jou wel een beetje bedroefdheid door geef, maar toch mijzelf in de eerste plaats wanhopig en ongelukkig maak! O, Lief, Lief, kon ik, kon ik allen toekomst-angst maar wegdringen van me, zoodat aheen het bewustzijn van het heerhjke tegenwoordige overbleef! O, Lief, ik heb al zóóveel noodelooze tranen geschreid en zóóveel noodeloos verdriet gehad! O, beklaag me, beklaag me, Lief, - ach, ik smeek je, help me toch, om sterker, beter, verdraagzamer te worden!

Lu je brieven zeg je wel eens, dat je je nog nooit zoo tegen iemand als nu tegen mij hebt geuit, - o, telkens als je zoo iets zegt, dan geeft me dat wel een plotseling gevoel van vreugdige verrukking, maar o, die indruk is weer zoo gauw voorbij, helaas! Want vreugde, blijdschap of een andere aangename aandoening blijft altijd maar een oogenblik me bij.

Ook zeg je zoo dikwijls, dat ik gelooven moet, en niet meer twijfelen, - maar, o, Lief, hoe kan ik dat helpen, dat ik nergens vast in geloof? Is geloof niet een gave? En ik zelf hjd het meest dat mij die gave ontbreekt.

Lief, weet je, hoe iedereen me noemen zou, die me zoo spreken hoorde, of me huilen zag? Ze zouden zeggen, dat ik „ondankbaar" ben. Lief, ben ik dat? Ben ik ondankbaar, Lief? Ach, ik geloof het toch niet! Het eenige is, dat ik zoo weinig in staat tot waardeeren ben 1

O, Lief, ik kus je portret, en denk dan, dat jij 't ben, - maar, o, die oogen zien me zoo onversclulhg-koel en niets-zeggend aan, en

Sluiten