Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE PERIODE

37i

Bussum, Parkzicht

Liefste, ik weet zelf niet, wat het is, maar ik voel me zóó onweerstaanbaar tot je aangetrokken: de heele wereld is niets voor mij, behalve jij aheen. Ik zou zoo graag aldoor wülen liggen met mijn hoofd op je schoot, ziende op naar je gezicht, terwijl mijn hand zacht mocht spelen met de jouwe en ik je van tijd tot tijd hef hoorde zeggen: „Jij bent een goeje jongen, en ik mag je heel „graag lijden; bhjf maar stil zoo liggen, want het hindert mij heele„maal niets. Je mag, heusch! altijd bij mij blijven". Dan zou ik mijn hoofd, waar het lag, zacht tegen je middel drukken, en als je mij dan vriendelijk over mijn haren streek, dan zou ik een gevoel krijgen of ik droomde van 't paradijs. Want, geloof me, Jeanne, ik ben niet gewoon-, banaal-verliefd op je, omdat je een neus hebt en een mond en een taüle, zooals je hebt. Ik vind, laat me het maar zeggen, dat je een gezicht hebt om voor te knielen, en ik zou niet wülen, om niets in de wereld, dat er aan je uiterhjk ook maar iets werd veranderd, maar toch heb ik je daarom niet hef in de eerste plaats. Neen, ik zweer 't je, ik heb je bovenal hef om je innerlijk Zijn, om wat üc noem: je ziel. O, als ik eenzaam op mijn kamer zit, en ik geef mij over aan mijn fantasie, dan zie ik ons wel eens zweven in een mystisch rijk, eigenhjk onhchamehjk en toch met een hchaamsvorm, gehuld in zacht-lichte, lang-uit-vlottende gewaden, jij met je armen om mijn hals en je hoofd op mijn schouder, beiden drijvende als op onzichtbare vleugels, zacht ons voortstuwend in zalig gedroom. De ruimte is om ons heen, en wij gaan altijd maar zoo door, wetend niet waarheen, wetend aüeen maar, dat bet overal vredig en veilig is, en dat niets in der eeuwigheid kan verstoren ons rustig-hoog samenzijn en goddehjk gezwier.

Geloof je nu, Jeanne, dat ik je echt liefheb, niet oppervlakkig om een uiterlijkheid, maar diep-in om je heele menschelijke Zijn? Geloof me, jij bent de Liefde mijner Ziel, en ik heb je hef, o, hefste mensch, als mensch. Wij zuüen ons heele leven tezamen blijven, nietwaar, heerhjk Lief? Welnu, ik zweer je, je kunt in alles op mij rekenen; ik zal je sterken en steunen en helpen in alle dingen, met ernst, waar je behoefte hebt aan ernst, met vroohjkheid als je om vroohjkheid vraagt. Je hebt het wel eens gezegd, maar je bent niet innerlijk kwaad, je bent innerlijk goed, want je wilt nooit het kwade om het kwade-als-kwaad. En üc voel zoo diep voor je, en weet,

Sluiten